voorgangers: Mirjam Rigterink, Einar Sies en Cokkie van Santen
- Welkom – mededelingen Einar
Goede morgen. Van harte welkom, ook voor wie meekijken via de streaming. Fijn dat u er bent.
A.s. woensdag, 22 april, is de jaarlijkse internationale dag van de aarde.
En al 10 jaar lang hebben we rond die dag een viering met een groen thema, mee voorbereid door de Groene Dominicus.
Dit jaar hebben we gekozen voor het thema ‘Wij zijn natuur’, n.a.v. de grote tentoonstelling rond dat thema vorig jaar in museum Singer-Laren. Mede organisator prinses Irene deelde daar haar levensvisie:
De mens staat niet boven de natuur, maar maakt deel uit van de natuur. Dat maant tot bescheidenheid.
Vandaag is Mirjam Rigterink onze voorganger. Mirjam was jarenlang lid van de Ekklesia Den Haag. Sinds 2018 maakt ze deel uit van het liturgisch team van de Amsterdamse Ekklesia. Hartelijk welkom Mirjam.
Cokkie van Santen is medevoorganger. Mijn naam is Einar Sies.
De andere medewerkenden aan deze viering vindt u op de achterkant van het liturgieboekje en bij de aftiteling van de streaming.
De collecte. Vandaag collecteren we voor de Groene Voedselkaravaan, een initiatief van platform Geloven in Groen. Meer daarover vindt u in het het liturgieboekje.
En blijft u na de viering rustig zitten. Dan gaan we afscheid nemen van Henk Baars, voorganger en steunpilaar van de Haagse Dominicus vanaf het eerste begin.
Maken we ons nu stil van binnen,
door het zingen van het lied ‘Stilte nu’.
Tijdens het lied zal ik de kaarsen aansteken. Geen klankschaal deze keer.
Daarna zal Cokkie vanaf de toekomststoel in gesprek gaan met een duif.
- Lied: Stilte nu Tijdens het lied kaarsen (geen klankschaal) – Einar
Tijdens het lied worden het intentieboek en de kaarsjes naar voren gebracht. (Leo + ...)
- inleiding 1: - gedicht ‘Hoe de mensheid uit te leggen aan een duif’
Cokkie op toekomststoel / op de TV foto duif
Gedicht ‘Hoe de mensheid uit te leggen aan een duif’ van
Marije Langelaar.
Ja zie je duif, mooie dikke grijze duif, koerend op deze stoep,
wij, wij mensen op benen,
in schoenen en in broeken gehesen, ook jurken,
zwierig of snibbig of kort
wij hebben verantwoordelijkheden.
Weet je
Dat is niet niets we moeten al die machines bedienen, daar komen producten uit,
die moeten we vervoeren, echt óóóveral heen mijlenver,
en we moeten bouwen, zoveel bouwen het is ontzettend en onbeschrijfelijk. Met zoveel verschillende materialen.
Het is megalomaan maar het moet.
Ja eenvoudig het moet om alle machines te huisvesten,
en voorwerpen en onszelf natuurlijk ook
en al die schoenen en jurken en broeken, boeken.
We moeten ook breken en hakken
en soms denken we goed na over landschap,
hoe kunnen we dat vormen naar ons believen snap je?
We nemen niet zoals jij alles zoals het is.
We vormen om en gebruiken we zijn geen simpele zielen
het zou wat zijn als wij ook alleen maar koeren en vliegen.
Nee verantwoordelijkheden, Akkers. Mijnen. Wegen. Winst en verlies. Fabrieken. Parades. Verdragen. Octrooien.
We denken ook veel na,
niet altijd over oorzaak en gevolg
maar wel over hoe we het nog meer tot het onze kunnen schaven
dat is nogal een werk en vraagt een algemene inspanning van alle soortgenoten kun je je dat voorstellen, ons allemaal?
We hebben ook allerlei uitvindingen gedaan, waarmee we voortdurend naar elkaar koeren kunnen, telefoon, radio, internet, geluidsgolven, techniek, oscillatie ja dat gaat boven je pet.
We kunnen niet vliegen maar ook daar hebben we iets voor uitgevonden,
we zijn zelfs naar de maan geweest ja dat is nogal een prestatie.
Wij houden ook nauwkeurige getallen bij,
over de populatie van onszelf maar ook ganzen, wolven, futen, duiven, zeearenden.
Sommige van deze dieren krijgen een ring en ook jij,
ik feliciteer je met deze ring van ons prachtige koninkrijk
waar we alles zo goed op orde hebben.
Inleiding 2 Mirjam
Een vriendin die ik vertelde over vandaag – groene viering, thema ‘wij zijn natuur’ – vertelde me over ‘eco-linguïstiek’: een nieuwe discipline binnen de toegepaste taalwetenschap die inzoomt op hoetaal ons ecologische denken vormt. Hoe praten wij over onszelf en over hoe wij ons verhouden tot al het niet-menselijke leven op deze aardkloot. Welke verhalen vertellen we elkaar daarover. Welke woorden gebruiken we?
Als knipoog om mee te beginnen hoorden we zojuist het gedicht van Marije Langelaar, waarin een ik-figuur benadrukt hoe verschillend duiven zijn van mensen. Wij hebben immers verantwoordelijkheden. Wij moeten van alles. Moeilijke dingen ook nog eens. Dus wij denken goed over dingen na, het zou wat zijn als wij ook alleen maar koeren en vliegen. Wij die met ons korte-termijn-brein de toekomst van zoveel planten en dieren – ook mensen – in gevaar brengen, wij worden door deze dichtregels vriendelijk maar duidelijk met onze beide pootjes op de grond gezet. Taal die onze blik uitdaagt. Ons perspectief op onszelf en op andere dieren. Met die bril op lezen we vandaag het eerste hoofdstuk van de Hebreeuwse bijbel. Als taal ons vormt, als verhalen ons denken (her)scheppen: wat vertelt dit verhaal ons dan over hoe wij onszelf zien in relatie tot de natuur? Lees en zing maar mee.
- lied: Een engel met een lied
- lezing: Genesis 1:1 – 2:4 Einar
Ik lees jullie Genesis 1 en de eerste verzen van hoofdstuk 2 voor in de vertaling van Huub Oosterhuis en Alex van Heusden.
In den beginne schiep God de hemel en de aarde.
De aarde was woest en leeg,
duisternis over de oervloed –
de adem van God scheerde over het water.
God sprak:
Er zij licht.
Er was licht.
God zag het licht, het was goed.
God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis.
God riep tot het licht en noemde het ‘dag’,
hij riep tot de duisternis ‘nacht’.
Het werd avond, het werd morgen: dag een.
God sprak:
Er zij een gewelf in het midden van het water
om water van water te scheiden.
Zo geschiedde.
God maakte het gewelf
en scheidde het water onder het gewelf
van het water daarboven.
God riep tot het gewelf en noemde het ‘hemel’.
Het werd avond, het werd morgen: tweede dag.
God sprak:
Laat nu al het water dat onder de hemel is
bijeenkomen op één plaats; en dat het droge zich laat zien.
Zo geschiedde.
God riep tot het droge en noemde het ‘land’,
tot het verzamelde water riep hij ‘zeeën’.
God zag het was goed.
God sprak:
Laat nu het land ontkiemen
in veldgewassen zaad zaaiend,
in bomen die vruchten maken, verschillende soorten, vruchten, zaad zaaiend over het land.
En zo geschiedde.
Het land bracht veldgewassen voort
die hun zaden zaaiden, verschillende soorten,
en vruchtbomen die hun vruchten maakten vol zaad,
verschillende soorten.
God zag het was goed.
Het werd avond, het werd morgen: derde dag.
God sprak:
Laat er dan nu verlichtingen zijn aan het gewelf van de hemel
om scheiding te maken tussen de dag en de nacht,
om aan te geven de hoogtijdagen
en de gewone dagen, van jaar tot jaar, verlichtingen aan het gewelf van de hemel om licht te geven op aarde.
En zo geschiedde.
God maakte twee grote verlichtingen,
de grootste om meester te zijn van de dag,
de kleinste om meester te zijn van de nacht
en de sterren.
God gaf ze hun plaats aan het gewelf van de hemel
om licht te geven op aarde,
om meester te zijn van de dag en de nacht,
om te scheiden licht van duisternis.
En God zag het was goed.
Het werd avond, het werd morgen: vierde dag
God sprak:
Laat het water nu woelen van levende wezens
en laten er vogels vliegen over de aarde langs het hemelgewelf.
God schiep de grote zeegedrochten
en alle krinkelende levende wezens, allerlei soorten
waarvan het water wemelt
en alle gevleugelde vogels, allerlei soorten.
God zag het was goed.
God zegende hen en sprak:
Wees vruchtbaar in groten getale,
maak het water van de zeeën vol
en moge er steeds meer vogels komen op aarde.
Het werd avond, het werd morgen: vijfde dag.
God sprak:
Laat nu het land voortbrengen levende wezens, allerlei soorten, tamme dieren, kruipende dieren,het levende van het land, verschillende soorten. En zo geschiedde.
God maakte het levende van het land, verschillende soorten,
de tamme dieren in soorten en wat kruipt over de grond van de aarde, in soorten. God zag het was goed.
God sprak:Nu laat ons mensen maken naar ons beeld, die op ons gelijken om te zorgen voor de vissen van de zee en de vogels van de hemel, de tamme dieren en heel de aarde en al het kruipende op het land.
En God schiep de mens naar zijn beeld,
beeld van God schiep hij hem,
mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen.
God zegende hen en God sprak tot hen:
Wees vruchtbaar in groten getale,maak de aarde vol en beheers haar, zorg voor de vissen van de zee en de vogels van de hemel en voor al het levende dat over het land kruipt.
God sprak: Hier, ik geef je alle veldgewassen die hun zaad zaaien over heel het land, alle bomen met hun vruchten vol met zaad om van te eten. En voor al het levende van het land en voor alle vogels van de hemel en voor al wat kruipt over het land, voor alle levende wezens is alle veldgewas om van te eten.
Zo geschiedde.
God zag alles wat hij had gemaakt:
het was goed, meer dan goed.
Het werd avond, het werd morgen: de zesde dag.
Voltooid werden de hemel en de aarde, heel hun schare.
Voltooid heeft God op de zevende dag zijn werk dat hij maakte:
al zijn werk dat hij maakte
heeft hij laten rusten op de zevende dag.
God zegende de zevende dag,
hij heeft hem geheiligd;
toen heeft God al zijn werk laten rusten
dat hij al doende had geschapen.
Zo werden de hemel en de aarde verwekt,
zo werden zij geschapen.
- lied: Ballade van de mens
- overweging Mirjam
Voorafgaand aan het delen van brood en wijn zingen we in Amsterdam altijd een liedje dat jullie misschien ook wel eens zingen hier:
‘Moge het delen van dit brood en deze beker ons hart versterken.
Dat wij vol hoop meewerken aan een nieuwe wereld / waar brood en recht en waardigheid en liefde is / voor al wat leeft.’ Een van onze bezoekers vertelde me eens dat Huub Oosterhuis dat liedje aanvankelijk anders had laten eindigen, namelijk met:
‘waar brood en recht en waardigheid en liefde is / voor ieder mens’.
Zij, een grote dierenvriend, vond het een rottekst.
Dat kwam Huub ter ore. De zondag daarop had hij het herschreven.
Of het zo beter was, vroeg hij: voor al wat leeft.
Als wij, elke keer wanneer we brood en wijn delen, zingen dat we hopen op rechtvaardigheid en liefde voor al wat leeft: zou dat een zaadje planten in ons denken over hoe wij mensen ons verhouden tot hommels en paardenbloemen en bossen en koeien en … nou ja, al wat leeft? Ik hoop het.
‘Wij zijn natuur’ was het thema dat de werkgroep voor deze viering had vastgesteld. Een thema dat ons uitdaagt om onszelf een onder de loep te nemen. Zijn wij dier onder de dieren? Of zijn wij wezenlijk anders: slimmer toch eigenlijk – en waardevoller? In het eerste verhaal van de bijbel lijken de schrijvers de mens in elk geval een heel eigen plaats te geven, een heel eigen rol. JHWH scheidt licht van donker, schept de ‘grote lichten’ en de dieren, en ten slotte de mens… Om te heersen over de dieren, vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling (2021) nog altijd in vers 26 van dat hoofdstuk, zoals ook de Statenvertaling het ooit deed. De mens als sluitstuk. Als kroon op de schepping, jaja. We zijn zelfs naar de maan geweest, om met Marije Langelaar te spreken. Zo is dit verhaal lang begrepen. Dus maar niet meer lezen dan misschien. Of vooral als waarschuwing: zo dachten mensen ooit. En kijk eens waar dat toe heeft geleid.
Nou kan het Hebreeuwse j-r-d ook vertaald worden met ‘zorgen voor’, zoals in de vertaling die we net lazen: Nu laat ons mensen maken naar ons beeld, om te zorgen voor de vissen van de zee en de vogels van de hemel enzovoorts. Poe, verzucht je wellicht opgelucht: zorgen voor, dat klinkt in elk geval radicaal anders dan heersen over. Maar twee verzen later gebruiken de schrijvers een ander werkwoord: k-b-sj. De mens krijgt de opdracht de aarde te … onderwerpen, of: te beheersen kun je ook vertalen. Een werkwoord dat een connotatie in zich draagt van geweld. Beschouwen de schrijvers de mens toch eerder als tirannieke heerser over de natuur dan als degene die de opdracht heeft om er goed voor te zorgen? Weg opluchting, welkom terug buikpijn.
Om misverstanden te voorkomen: wat mij betreft mag de bijbel wringen met vragen en inzichten van vandaag. We hoeven niet door te lezen (of vertalen of uitleggen) tot we opgelucht kunnen vaststellen dat de bijbel godzijdank toch groener is dan we vrezen. Of vrouwvriendelijker. Of …noem maar een dwarsstraat. We mogen uiteraard van dingen die erin staan zeggen: zo niet. Bovendien, eerlijk is eerlijk: de mens als tirannieke heerser…? Je zou óók kunnen zeggen, is dat geen buitengewoon accurate beschrijving van hoe wij ons gedragen: we vergiftigen lucht, bodem en water, doden ontstellende aantallen dieren, direct en indirect; we ‘bederven alles’, zullen we nog zingen. Maar of de schrijvers van Genesis 1 dat nou voor ogen stond?
Ik wil jullie uitnodigen om dit verhaal anders te lezen, namelijk als een tegenverhaal, opgeschreven tégen andere verhalen uit het Oude Nabije Oosten die aan de natuur een goddelijke status toekennen. Doe dat niet, waarschuwt Genesis 1! Onderwerp je niet aan natuurgoden waarover verteld wordt dat ze tamelijk willekeurig stormen, overstromingen en ziektes over ons uitstorten. De zon en de maan, het zijn ook maar gewoon lichten aan de hemel. Leg je niet neer bij natuurrampen en ziektes alsof goden die nu eenmaal gewild hebben. Maar beheers zulke chaos: bouw dijken! Ontwikkel medicijnen! Doe wat in je vermogen ligt om de stijging van de zeespiegel tegen te gaan. Als we zo lezen is Genesis 1 een verhaal dat ons de opdracht inprent om van deze aarde veilige, leefbare plek te maken. Voor alle mensen. Of nog beter: voor al wat leeft.
Zorgvuldig gelezen loopt Genesis 1 helemaal niet uit op de schepping van de mens, maar op dag zeven: de sabbat is het sluitstuk van dit verhaal. Sabbat gaat in de Hebreeuwse bijbel over meer dan één dag per week tot rust komen. Elke zeven jaar is er één jaar om de grond te laten rusten: een Sabbatsjaar. En na zeven maal zeven jaren is het vijftigste jaar een Jubeljaar: dat is een jaar om tot slaafgemaakten vrij te laten. Ook wordt in dat jaar familiegrond teruggegeven aan mensen die het hebben moeten verkopen. Economie dus, politiek. Bedoeld om mensen de kans te geven om steeds opnieuw te beginnen – een groots visioen voor deze wereld. En die ene dag per week loopt daar al een beetje op vooruit. Een voorproefje. Die dag is iedereen gelijk, in die zin dat iedereen zijn werk mag neerleggen. Zoals in de tien woorden klinkt (Exodus 20:811): die dag zul je geen werk doen, jij niet, je zoon en je dochter niet, je slaaf en je slavin niet, je dieren niet (!) en je vreemdeling binnen jouw poorten niet.
Je dieren ook niet? In Nederland is een paar jaar geleden een vakbond opgericht voor werkende dieren. Denk aan legkippen, vleeskoeien, varkens, maar ook: politiehonden, (gehouden) bijen of manegepaarden. De vakbond ijvert voor een heuse CAO. Op de website staat: ‘Werkende dieren hebben recht op een veilige leef- en werkomgeving, vrije tijd en pensioen. Zwangerschap- én ouderschapsverlof is eveneens een thema.’ De taal van het arbeidsrecht – over werkgevers en werknemers – wordt nu verbonden aan dieren en ik weet niet hoe het u vergaat, maar in mijn hoofd doet zulke taal direct iets. Herschept iets in mijn blik.
Met die bril op dacht ik: de centrale vraag in de bijbel is de vraag naar je naaste: voor wie wil jij een naaste zijn? Wij mensen zijn geloof ik geneigd die vraag te lezen als een vraag over mensen. Neem het bekende verhaal over de barmhartige Samaritaan. We lezen het als een aansporing om de naaste te worden van de mens die op ons pad komt en die onze hulp nodig heeft. Maar waarom die vraag niet doortrekken naar niet-menselijke dieren? Willen wij de naasten worden van werkende dieren die lijden? Van wilde soorten die uitsterven? Van planten. Verdienen zij onze solidariteit? De bijbel is geen antwoorden-boek. Maar het lijkt me een heel bijbelse vraag om te stellen.
Lieve mensen (of: lieve ‘mens-dieren’), zo vlak na Pasen wens ik ons toe dat we ons laten herscheppen door taal die ons op een ander been zet. Door de ironische taal van Marije Langelaar, die onze arrogantie jegens duif-dieren op de hak neemt. Door de poëtische taal van de liedjes die hier vandaag klinken. En wie weet door de taal van niet-menselijke dieren zelf: hun loeien, knorren en fluiten, hun lichaamstaal – zelfs hun vacht en hun geur, leerde ik van die vriendin die me vertelde over eco-linguïstiek. Zij is zelf namelijk betrokken bij een heel andere tak van sport: ze doet onderzoek naar de taal van koeien. Het is fascinerend hoeveel betekenis koeien kunnen overbrengen. Als je er iets meer van verstaat, kun je eigenlijk niet meer hetzelfde naar koeien kijken. Dus zo moge het zijn: dat wij hen – en zo ook onszelf (!) – opnieuw leren verstaan.
- lied: Aarde deze
- Voorbeden Einar
Aarde. Deze. Enig denkbare.
Grond waarop en waarvan wij leven,
Wij doen voorbede voor jou,
voor je natuur waarvan wij deel uitmaken:
voor de planten en dieren,
de bergen, rivieren, luchten en zeeën,
voor de vogels en vissen,
kiemende zaden,
voor de bijen, en zoveel meer -
het zijn allemaal kinderen van jou,
onze broeders en zusters.
Dat wij hen als broeders en zusters behandelen.
Wij bidden dat wij mensen elkaar als broeders en zusters behandelen,
niet als vijanden.
Dat wij naar elkaar omzien in onze noden en verlangens.
Wij bidden in deze tijd van haat en oorlog hartstochtelijk om vrede,
hoe onbereikbaar die ook lijkt.
We bidden dat wij mensen jou, aarde,
gebruiken om ons te voeden en te huizen,
niet om je te schenden en te plunderen.
Wij bidden voor wat opgeschreven staat in het intentieboek.
(……)
Aarde. Deze. Enig denkbare.
Grond waarop en waarvan wij leven,
dat wij elkaar behoeden en doen leven.
Moge het zo zijn.
- collecte (voor: De groene voedselkaravaan) Leo, Einar
- tafellied: De tafel der armen
- breken en delen – inleiding Mirjam
Moge het delen van dit brood en deze beker ons hart versterken.
Dat wij vol hoop meewerken aan een nieuwe wereld
waar brood en recht en waardigheid en liefde is
voor al wat leeft.
- breken/delen Mirjam, Cokkie, Einar, Leo
- luisterlied: Mijn lieve kleinkind
Inleiding Mirjam
Dit lied is gemaakt op initiatief van de grootouders voor het klimaat
Lied ‘Mijn lieve kleinkind’, gezongen door Janke Dekker
de link van de youtube versie zonder reclame: (yout-ube i.p.v. youtube)
De tekst van het lied:
Mijn lieve kleinkind, weet je dat
Een weiland vroeger bloemen had?
En dat de sloot
Vol visjes en vol dotters was? En dat er uit het hoge gras Een lied ontsproot?
De krekels en de bijen die
Hun symfonie
Zacht zoemend lieten zweven
Ik was een kind, ik heb het zelf gezien
De aarde was een bron van eeuwig leven
Mijn lieve kleinkind, weet je dat Die aarde nu is afgemat? En dat de mens
Dat aan zichzelf te wijten heeft?
Wij hebben veel te groot geleefd
Nu is de grens
Van wat de aarde kan, bereikt
De wereld lijkt
Ten dode opgeschreven
Ik ben een mens, ik heb het zelf gedaan
Wij dachten dat je grenzeloos kon leven
We moeten Minder vliegen
Minder slachten
Minder kappen
Minder wachten
Minder stoken
Minder kleren
Minder olie produceren
Minder rijden
Minder snijden in het groen
Minder egoïstisch zijn
Meer
Voor jullie
Doen
Want, lieve kleinkind, weet je dat Er dan ook later weer een pad Van bloemen staat?
Al gaat er nu van alles mis
We hebben nog een kans, het is
Nog niet te laat
Om deze grote aardse schat,Het mooiste wat
We hebben, door te geven
En ik beloof je nu: je zult het zien
De aarde wordt weer bron van eeuwig leven
- Zegen Mirjam
Er zijn woorden gesproken
die werken ten goede, je hart versterken,
je geweten scherpen.
Gezegend jij die zoekt ze te horen
en leeft om ze te volbrengen.
Dat je op weg wordt gezet
om vrede.
- lied: Wat óók gebeurt
- - - - - - -

