Teksten viering Haagse Dominicus zondag 1 maart 2026
Voorganger: Willem van der Meiden, tweede voorganger: Marieke Hulsbergen
Thema: De naakten kleden
“Een mantel om mij heen geslagen”
Welkom
Goedemorgen allemaal, welkom bij deze viering van de Haagse Dominicus. Vandaag is Willem van der Meiden de voorganger. Mijn naam is Marieke Hulsbergen. De overige medewerkers van deze viering vindt u achterop het boekje of bij de aftiteling van de livestream. De collecte is bestemd voor stichting Zamom, dat bouwt aan kwalitatief goede kinderopvang in Zuid-Afrika.
De naakten kleden. Ik werk op een middelbare school. Dagelijks zie ik jongens met spijkerbroeken die zover afgezakt zijn dat hun boxershorts er bovenuit steken en meisjes met naveltruitjes waardoor blote buiken zichtbaar zijn. Mijn neiging om de broeken omhoog te sjorren en de naveltruitjes omlaag te trekken, weet ik gelukkig te beheersen, hoewel ik er soms toch wat van zeg. Niet dat het helpt overigens. Maar daar gaat het thema vandaag natuurlijk niet over.
De naakten kleden is één van de zeven werken van barmhartigheid. De letterlijke betekenis gaat over het geven van kleding, schoeisel of dekens aan mensen die dit zelf niet hebben. Maar daarnaast gaat het ook over naastenliefde en barmhartigheid, over het herstellen van iemands waardigheid en het bieden van bescherming. Later in deze viering laten we een fragment zien uit een interview met Edith Eger. Edith Eger was een Hongaars Joods meisje dat samen met haar familie werd gedeporteerd naar Auschwitz. In het boek De Keuze beschrijft ze hoe ze deze tijd beleefd heeft en hoe ze ondanks alle ontberingen en vernederingen toch haar waardigheid kon behouden.
Laten we de kaarsen aansteken en de klankschaal laten klinken.
Inleiding bij het thema en gebed
“Wij leven in een bezeten wereld en wij weten het.” (Johan Huizinga, 1935) De teksten die in de meeste kerken gelezen en besproken worden zijn geschreven toen de Pax Romana heerste over een groot deel van de wereld. Een wereld waarin driekwart van de mensen in slavernij leefden, een wereld permanent in oorlog op alle fronten. Wij worden dagelijks wakker – ook vandaag – in de Pax Americana, een wereld van oorlog en strijd, waar ook geen mensenleven veilig is. Nochtans, toch, blijven wij hier vertellen van barmhartigheid, van weerloze mensen beschermen. Wij blijven dat doen, omdat wij niet kunnen leven in een wereld waarin macht en rechteloosheid regeren. Dat doen wij ook vandaag. Wij kúnnen niet beter. Wij kunnen niets béters.
Het schilderij van de Madonna del Mare Nostrum (van Hansa) was in deze kapel pregnant aanwezig tijdens het kerkasiel van de familie Tamrazyan, dat, nu alweer zeven jaar geleden, hier met een uitroepteken beëindigd werd. Theoloog Erik Borgman schreef er eens een korte meditatie bij. Ik sprokkel daaruit een paar teksten bij deze viering over ‘de naakten kleden’.
“Je wordt aangekeken”, schrijft Borgman, “zowel door het kind als door de vrouw. Indringend, maar neutraal. Geen angst, maar ook geen opluchting of dankbaarheid. Geen appèl ook in de oppervlakkige zin. Zij zijn er gewoon en veranderen de wereld en het wordt aan de kijker overgelaten hoe deze daarop wil reageren. Zo zijn ze wel een vraag, maar een vraag die helemaal aan de kant van de kijker ligt, aan mijn kant. Hoe reageer ik op het gegeven dat zij zijn?
De vrouw kijkt langs je heen, als kijker. Ze plaatst je als het ware in een wijder blikveld. Zij ziet je wel, maar je bent voor haar niet het centrum van de aandacht. Je bent een vertegenwoordiger van de wereld waarvan zij nu is, die nu ook haar wereld is. Het kind kijkt strak naar jou, met de blik die alleen jonge kinderen lijken te hebben: pure afwachtende, receptieve waarneming. Openheid voor wat er zal gaan gebeuren.
De vrouw en het kind stellen een pure vraag: wie zal jij voor mij blijken te zijn? – met de onontkoombare boodschap dat jij daarmee over jezelf beslist. Het is de zakelijkheid van Mattheüs 25: wat je aan de minste doet, beslist niet over het lot van die minste, maar over jouw lot.”
Tot zover Erik Borgman. En ik voeg daar voor vandaag aan toe: Waaraan heb ik het te danken dat jij mij dit vraagt? Waarom mag ik jou deze mantel omslaan? Waarom maak jij mij mede-wetend, medeplichtig?
Wij horen dit appèl, wij spreken, luisteren, zingen en vieren vandaag, op de tweede viering van de 40-dagentijd, samen met de gedemoniseerde, naakte, dakloze man uit het land van de Gerasenen, met de mooie ogen van Magda, de zuster van psychiater Edith Eger, met de blote kleermaker van Kees de Winter, met de kakkerlak van Toon Tellegen en met deze Madonna. Zo delven ook wij ons gezicht op en wie ons ontmaskert zal ons vinden. Want it takes two to care. Naar elkaar omzien doe je samen.
Lieve God,
Jij die wij bij name mogen noemen: Eeuwige, Ene, Nabije, de Ander in wie wij mensen elkaar mogen zien. Herschep ons hart en heradem ons verstand. Dat wij open mogen staan voor mensen die ons nodig hebben, dat wij het als gunst mogen ervaren er voor een ander te mogen zijn, zoals die ander er is voor ons. Wees ook ons nabij vandaag, waar we in de demonie van deze wereld elkaar opzoeken, troost vinden, het vuur van onze hoop samen brandend mogen houden. Sla jouw en onze woorden als een mantel om ons heen, geef ons tonen, muziek, beelden en vormen om onze gemeenschap onder jouw hoede samen te vieren en te beleven. Amen
Inleiding bij filmfragment
We gaan zo kijken naar een fragment uit een interview met Edith Eger. Edith Eger was een Hongaars Joods meisje dat samen met haar familie werd gedeporteerd naar Auschwitz. Zij heeft de oorlog overleefd door te dansen. Ze was ook danseres en door haar dansen lukte het haar om haar waardigheid behouden, ondanks alle ontberingen en verschrikkingen waar ze aan bloot gesteld was. In het filmfragment beschrijft Edith hoe ze op de dag van aankomst samen met haar zus Magda van haar kleding ontdaan werd en werd kaalgeschoren, nadat haar ouders direct naar de gaskamers waren gestuurd.
Schriftlezing
Wij lezen uit het Lukasevangelie het verhaal van de bezetene in het land van de Gerasenen. ‘Bezeten’ – zo stond het al in de Statenvertaling en het is een mooi woord. De man over wie het gaat is in bezit genomen, is bezet gebied geworden en moet bevrijd worden uit de machten van het kwaad. Zo gaat de tekst.
Lukas 8: 26-36
En zij voeren verder naar het land van de Gerasenen,
- een andere tekstversie heeft Gadarenen -
dat ligt aan de overzijde van Galilea.
Toen hij aan land was gegaan,
naderde hem een of andere man uit de stad,
die bezeten werd door demonen,
al lang droeg hij geen kleren meer
en hij woonde niet in een huis,
maar op begraafplaatsen.
Hij zag Jezus en viel schreeuwend voor hem neer:
en sprak met grote stem:
“Wat is er tussen jou en mij?
Jezus, zoon van de allerhoogste God,
ik smeek je, pijnig mij niet!”
Jezus had immers aan de onzuivere geest bevolen
om van deze man uit te gaan,
want vele jaren lang had die hem al in zijn greep.
Men had hem voor de zekerheid geboeid met ketenen en voetboeien,
maar die had hij verbroken en hij was door de demon de woestijn in gedreven.
Jezus vroeg hem: “Wat is jouw naam?”
En hij sprak: “Legioen”,
omdat de demonen hem met velen waren binnengedrongen.
Zij – die demonen – vroegen Jezus
om hen niet in de afgrond te storten.
Nu was daar een kudde van onreine varkens
die gehoed werden in het bergland
en de demonen riepen hem aan en vroegen hem
of hij hun zou toestaan daarin te trekken,
en hij stond dat toe.
Zij – de demonen – gingen uit van deze mens,
drongen binnen in de varkens,
de kudde bewoog zich de helling af
naar de kust en verdronk.
Toen hun hoeders dit hadden gezien,
vluchtten zij en vertelden het aan stad en land.
Zij – de inwoners van die streek – kwamen naar buiten
om te zien wat er was gebeurd.
Zij kwamen bij Jezus
en zij zagen de man daar zitten
van wie de demonen waren uitgedreven.
Hij zat gekleed en bij volle verstand
aan de voeten van Jezus.
Zij vreesden zeer,
maar zij die alles hadden gezien
vertelden hun hoe de bezetene van demonen bevrijd was.
Overweging
“Alles van waarde is weerloos” dichtte Lucebert in de jaren ’50 en iedereen ging met deze regel aan de haal. Het vers is inderdaad voor meer dan één uitleg vatbaar is, en is daarom – vind ik – fascinerend en uitnodigend. Maar het kan vele kanten op. Zo vond een verzekeringsmaatschappij het wel tof om deze zin aan de gevel te hangen van haar hoofdvestiging aan de Blaak in Rotterdam, als een soort vermaning om je waardevolle maar o zo weerloze spulletjes niet onverzekerd te laten.
Deze tekst heeft een context:
alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk
Kijk, en nu kan ik er meer mee. Weerloos, kwetsbaar, niet om aan te raken – dat is die naakte, dakloze bezetene, die paria uit het land van de Gerasenen.
Nu zijn er bibliotheken vol geschreven over de vraag aan welke kwalen deze zielige man in het evangelieverhaal nou precies leed. Want wij willen alles weten. Het hoogst scoren schizofrenie, paranoia en een meervoudige persoonlijkheidsstoornis. De man zegt immers dat hij met velen is, legio. Ook de vraag wat die varkens in het verhaal doen heeft ontelbare uitleggers gefascineerd. Zouden die evangelieverhalen sporen van magie bevatten, midden in de Bijbel oerheidense geloofsvoorstellingen?
Wat mij betreft zijn dergelijke gissingen niet zo interessant. De essentie van dit verhaal is voor mij dat deze man onrein is, zoals een varken onrein is, en als onreine ben je kwetsbaar, weerloos en soms letterlijk onaanraakbaar. En hij is bezet, hij is zichzelf kwijt. Deze man is een fanatieke zorgmijder, maar heeft dringend zorg nodig. Hij moet gereinigd worden, hij moet uit het domein van begraafplaatsen, van de dood verlost worden en zuiver en levend worden, hij moet beschermd worden met een mantel en met onderdak. Hij is te vies om aan te raken, een paria – en hij heeft een bevrijder nodig, die bij machte is om alles wat boosaardig is te weerstaan. Zo wordt deze weerloze man van waarde, een waardevol mens.
Voor zijn omgeving is deze Legio een gevaarlijke gek en zij hebben hem buitengesloten, ze hebben hem tot een verschoppeling en een outsider gemaakt. Er kijkt niemand naar hem om, ze kijken wel uit… Maar de man heeft genezing nodig, bevrijding, heling.
De streekgenoten van deze bezetene zijn de echte zorgmijders, die ervoor zorgen dat deze mens niet tot zijn bestemming komt, maar door zijn onreine geest in bezit genomen wordt. Jezus praat met hem. Ongehoord. Jezus vraagt naar zijn naam. Ongehoord. Dan blijkt de man te kunnen spreken, en vaak spreken in de evangeliën zieke en gehandicapte mensen geen wartaal, maar de waarheid. Ook deze zieke, bezeten man spreekt ware woorden. Hij weet wie Jezus is: “Wat is er tussen jou en mij? Jezus, zoon van de allerhoogste God, ik smeek je, pijnig mij niet!” Dat eerste, merkwaardig zinnetje kan nog letterlijker worden vertaald: “Wat ben ik voor jou? Wat ben jij voor mij?” Waar hoorden we dat vandaag eerder?
Vrijwel alle verhalen over het leven en de daden van Jezus zijn in de evangeliën gelijkenissen, parabels. Ook dit verhaal. Karel Eykman vertelde vaak dat hij zich graag met de gelijkenissen bezighield in zijn bijbelwerk, want bij die verhalen stelde niemand de vraag: “Is dat nou echt gebeurd?” Ook dit verhaal is een gelijkenis, al staat er niet boven: ‘dit is een gelijkenis’. Ook dit verhaal is een gelijkenis die een vraag stelt: Wie zorgt voor wie? Wie ben ik voor jou? Wie ben jij voor mij? Wie zijn wij samen? En het verhaal stelt die vraag aan ons in de vorm van een verhaal.
Vier hoofdstukken verder in het Lukasevangelie lezen we een ander bekend verhaal, de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Als reactie op een vraag van een wetsgeleerde: “Wie is mijn naaste?” vertelt Jezus een verhaal. Daarin zou deze geleerde zich kunnen herkennen. Jezus zegt niet: Gij zult zorgen! Of: onze naasten zijn stumpers die hulp nodig hebben. Hij vertelt een verhaal. En nu doet zich het merkwaardige feit voor dat zeer veel mensen meteen denken – ook ik, toen ik het verhaal voor het eerst hoorde: die naaste is natuurlijk die stumper die langs de weg ligt. Daar moet ik voor zorgen. Een moreel appèl. Ook deze wetgeleerde verplaatst zich automatisch in de positie van de potentiële hulpverlener. Natuurlijk is die patiënt, die hulpbehoevende mijn naaste. Maar de gelijkenis draait de blikrichting om en de wetgeleerde kan het niet anders dan beamen na dit verhaal. De naaste van die stumper is natuurlijk die nobody, de Samaritaan die deze stumper daadwerkelijk helpt, die hem ontferming betoond heeft. Mijn naaste is niet alleen degene over wie ik mij ontferm. Mijn naaste is wie zich over mij ontfermt door mij te gunnen om voor hem of haar te zorgen.
Ook de tekst van de zes werken van barmhartigheid lees ik als gelijkenis. Jezus zegt in dit verhaal niet: “Gij zult uw naaste kleden”. Hij zegt: “Ik was naakt en jullie hebben een mantel om mij heen geslagen”. “Hoezo, wanneer dan?” is het antwoord dat we zo goed kennen. Echt waar? Waar gebeurd? En dan de reactie: “zoveel jullie gedaan hebt aan één van dezen, mijn geringste broeders-en-zusters, hebben jullie het mij gedaan!” Een gelijkenis. En voor ons een moréél appèl tot navolging. Maar niet als een bevel: “Gij zult…” Maar: kijk maar, zie maar, hoor maar om je heen. Voor wie ben jij de naaste?
Voor Legio, de man in meervoud, is Jezus de naaste, hij mag hem verlossen, Jezus mag zijn bevrijder zijn. Want deze man is weerloos, onaanraakbaar, onbeschermd, aan de goden overgeleverd, levend onder de doden. En hij laat zijn bevrijder toe in zijn leven en die doet wat hem als zijn naaste gevraagd wordt door deze man. En al is Jezus in de ogen van deze man driekeer de zoon van de allerhoogste God, hij zal zich ontpoppen als één van ons, als de allerminste onder ons, en deze dode naar het leven trekken, van weerloos naar waardig.
Een vriend van mij, Dick de Jong, tot zijn pensioen ziekenhuispastor, promoveerde twee jaar geleden op een proefschrift over theologie en zorg. Hij geeft veel voorbeeldverhalen van wat het betekent: It takes two to care. Ik geef u één zo’n verhaal mee. “Een arts had ten opzichte van een patiënt – hoe goed ze deze ook had onderzocht, hoe zorgvuldig ook behandeld – iets over het hoofd gezien dat akelig had uitpakt voor deze patiënt. Dat zat haar verschrikkelijk dwars. Ze ging kort daarna naar haar patiënt en besprak met hem haar misser. De patiënt vertelde haar toen dat hij het erg moeilijk had gevonden, maar tegelijk liet hij haar weten dat iedereen een fout kan maken en dat dit zijn vertrouwen in haar niet in de weg stond. De arts was hem daarvoor zeer dankbaar. Ze vond het ontroerend dat ze door hem als een niet-perfecte hulpverlener werd geaccepteerd. Ze vond dat een geschenk.”
Mogen zorgen, een geschenk. Zorgen doe je samen. Amen
Voorbeden
Lieve God, laten we bidden voor allen die in kou en armoede leven, die geen dak boven hun hoofd hebben en voor wie een warme jas een onbereikbare luxe is. Dat wij met een open hart en bereid zijn te delen van onze overvloed en een mantel om hen heen slaan.
Voor iedereen die zich naakt en kwetsbaar voelt door schaamte, verlies of ziekte. Dat wij niet kijken naar wat er is afgenomen, maar naar de schoonheid die overblijft. Help ons om elkaar te 'kleden' met complimenten, erkenning en liefde, zodat de menselijke waardigheid zelfs in de donkerste momenten behouden blijft.
Voor alle mensen die wereldwijd worden beroofd van hun identiteit en hun naam. Dat zij mensen ontmoeten die hen niet zien als een nummer of een object, maar die hen ‘ommantelen' met medemenselijkheid. Dat onze blik een spiegel mag zijn waarin de ander zijn of haar eigen waarde weer kan ontdekken.
En laten we ten slotte bidden voor wat opgeschreven staat in het intentieboek.
Woorden bij breken en delen
Brood delen we met elkaar
Wijn delen wij met elkaar.
Als teken dat wij verlangen naar een manier van leven
waarin de liefde voor elkaar
het wint van haat en onverschilligheid.
Als teken dat wij weten dat brood en wijn, eten en drinken,
niet alleen bestemd zijn voor hen die bezitten maar voor allen.
Als teken dat wij weten dat het licht in mensen
anderen van de duisternis verlost.
Zoals Jezus van Nazareth, mensenzoon,
door zijn leven, sterven en opstaan uit de doden,
heeft voorgeleefd, heeft laten zien en horen,
en met ons heeft willen delen.
Vanaf de toekomststoel
Het verhaal van de kakkerlak
Uit: Voor elkaar van Toon Tellegen
Tussen de brandnetels woonde de kakkerlak.
Hij kwam net naar buiten toen het nijlpaard daarlangs liep. Ze groetten elkaar.
De kakkerlak had een klein, zwart hoedje op. ‘Ik ga naar de neushoorn’, zei hij. ‘Hij heeft me uitgenodigd. Hij wil me troosten.’
‘Ben je dan verdrietig?’ vroeg het nijlpaard verbaasd, want de kakkerlak zag er vrolijk uit. ‘Helemaal niet,’ zei de kakkerlak, ‘dat ben ik nooit, maar hij denkt dat ik dat ben. Hij heeft me geschreven.’
Hij haalde een brief tevoorschijn, vouwde hem open, streek hem glad en las hem aan het nijlpaard voor.
Beste kakkerlak,
Kom je een keer bij me op bezoek? Ik wil je troosten.
Ik weet dat je lelijk bent en dat iedereen je ontloopt.
Neem het ze eens kwalijk! Je bént ook ontzettend lelijk, om niet te zeggen ongehoord lelijk. Niemand is zo lelijk als jij. Wat een verdriet moet dat je doen!
Als je bij mij op bezoek komt, zal ik je troosten en in je oor fluisteren dat je juist ontzettend mooi bent en dat in wezen, ja, in wezen, iedereen dat vindt, maar dat ze dat niet durven te zeggen en je daarom ontlopen.
Ik ben zelf ook lelijk, nog veel lelijker dan jij. Dat wist je niet, hè? Niemand weet dat. Ik heb iedereen wijsgemaakt dat ik mooi ben, mooier dan wie ook. Ik kan iedereen alles wijsmaken: mooi, lelijk, goed, slecht, aardig, gemeen, alles.
Je zult me geloven, kakkerlak, dat weet ik zeker, en je tranen wissen. Daarna zullen we een kopje thee drinken, als je daar trek in hebt, waar ik wel van uitga. Kom je vanmiddag?
De neushoorn
De kakkerlak vouwde de brief op en probeerde zijn hoedje iets naar voren te schuiven, zodat de schaduw ervan over zijn ogen viel. ‘Ik ben benieuwd,' zei hij ‘Denk jij dat ik in wezen echt mooi ben en dat iedereen dat ook vindt maar er niet voor uit durft te komen?’
‘Ik weet het niet,’ zei het nijlpaard.
‘Mooi zijn,’ zei de kakkerlak zachtjes, ‘geloven dat je ontzettend mooi bent… wat een eigenaardig gevoel moet dat zijn…’
Hij schraapte zijn keel. ‘Kom, ik moet gaan, anders kom ik te laat. Zit mijn hoedje goed?’
‘Ja’.
‘Dan ga ik’.
En met een sprong verdween hij in het struikgewas achter de brandnetels, waartussen hij woonde.
Zegenbede
God, die op ons neerziet vanuit de hoogste hemel
God, die naar ons opkijkt als de minste onder de mensen
God die onder ons is, ons bezielt en ons in beweging brengt
De nabijheid van die God, zijn ontferming en haar liefde,
is ons allen gegeven in de geboorte van een mensenkind,
in de Messias, Jezus van Nazareth die ons liefheeft
en in de heilige Geest die ons verlicht en verwarmt.
Mogen wij dit geschenk ervaren en beleven,
Nu, elke dag en in de eeuwen der eeuwen.
Zegen ons op onze levensweg. Amen

