Derde viering in de serie van de 40-dagentijd:
de zeven werken van barmhartigheid
‘Wie ben jij voor mij?'
De vreemde herbergen, stem en steun zijn voor wie er niet mag zijn
Willem van der Meiden | Cokkie van Santen
Welkom en mededelingen (Cokkie)
Welkom allemaal hier in de Bethel of thuis terwijl u de livestream volgt. Wij mogen hier zijn en wij zijn geen vreemdelingen voor elkaar, al zien we elkaar nu op een vreemde tijd.
Want ja, de viering van zondag verplaatsten we naar vandaag.
Op die zondag waren we toch nog met 9 mensen samen. We hebben stoelen voor de deur, op de stoep in de zon gezet. We dronken koffie en deelden onze verhalen, het was fijn, een mooie ontmoeting in verbondenheid.
Dat wens je ieder mens, dat gevoel van er even bij horen, welkom zijn, te drinken krijgen en een luisterend oor vinden. Daar gaat het vandaag over.
Willem van der Meiden en ik, Cokkie van Santen, nemen u mee langs beelden, teksten en muziek. We hopen dat het iets bij u oproept en dat u dat wilt delen.
Het schiet al op naar Pasen, je kunt het zien buiten aan de bomen, de gewassen en de fladderende insecten. Voor het zover is kunnen we elkaar nog een paar keer ontmoeten, in de Buurthuiskamer van Bethel en in de vieringen.
Achter op het boekje en op de website treft u alle informatie. U bent van harte welkom.
Ik ontsteek de kaarsen en wens ons rust, toewijding en een open hart bij het geluid van de klankschaal.
Inleiding en Vrije Ruimte
Welkom zijn: we rekenen erop als toerist, maar wie een veilig en beter leven zoekt in ons land wordt door velen niet met open armen ontvangen. De Madonna del Mare Nostrum, die wij hier twee weken geleden al eens van dichterbij bekeken, kijkt ons, gered uit de golven, vanaf het schilderij vragend aan. Erik Borgman vertaalde die blik met: “Wie ben jij voor mij?” Oftewel: wat doet het met jou dat je ons, mij welkom mag heten? Want welkom heeft twee kanten en ook met dankbaarheid kan het twee kanten op – zoals we vandaag zullen meemaken.
We ontmoetenJezus, zelf een ongenode gast in eigen land, voorts ontmoeten we een bezoekster aan de deur op een foto van Kees de Winter, we zien de peilende blik van de Madonna en de verwachtingsvolle ontvankelijkheid van haar kind, waarop ons antwoord kan zijn: “Waar heb ik het aan te denken dat jij naar mij komt?” Wij hebben het vandaag over verzet en overgave, over gastvrijheid en de kunst van het ontvangen, met teksten, muziek, ritueel en weerwoorden in een koffer. Voor onderweg.
Gebed
Lieve God,
Jij bent welkom in dit huis, jouw eigen huis! Dit huis is een huis “waar gemeenschap bestaat, waar zangers en zeggers bijeen zijn gekomen om uiting te geven aan waar zij van dromen, waardoor een beweging ontstaat die gaat stromen, die nooit meer, door niemand zich inperken laat”. Wees met ons hier, voel je vrij in onze gemeenschap, maak ons onderdeel van die vrij stromende beweging. Zo vieren wij hier gastvrijheid en dankbaarheid, en vieren wij ons samenzijn in jouw huis, waarin wij allen welkom zijn. Amen
Gedicht
Het korte gedicht ‘Vluchtelingen’ van de Oostenrijks/joodse dichter Erich Fried geeft puntig het dilemma weer van gered worden en dankbaarheid. Erich Fried vluchtte zelf na de inlijving van Oostenrijk door de nazi’s in 1938 met zijn moeder naar Londen, nadat zijn vader tijdens deze Anschluss was vermoord. Hij bleef na de oorlog in Engeland wonen, maar voelde zich zijn hele leven lang balling en schreef daar schrijnende en politiek geladen gedichten over. Zoals dit gedicht dat simpelweg ‘Vluchtelingen’ heet. Het is kort maar krachtig, dus luistert u aandachtig.
Vluchtelingen
Velen stierven
deze hier
werden gered
en sterven nu langzaam
aan de verschuldigde dank
jegens hun redders
aan hun dankbaarheid
of
aan hun ondankbaarheid
Erich Fried (uit: 100 Gedichten zonder vaderland, 1978)De ‘verschuldigde dank’ van de geredde tegenover de ‘ondankbaarheid van de redder’. De omgekeerde wereld? Of deze wereld omgekeerd?
Schriftlezing
Wij lezen de passage uit het Lukas-evangelie over het bezoek van Jezus aan zijn ‘vaderstad’ Nazareth (of Nazara), waar hij bekend is als de zoon van timmerman Jozef. In de synagoge daar vertelt Jezus dat hij de belichaming is van wat door de profeet Jesaja eeuwen eerder verkondigd is en die verkondiging heeft in de Heilige Schrift een plaats gekregen. Over Jezus als vreemdeling in eigen land en hoe onwelkom hij daar is.
Lukas 4: 16-28
Hij kwam aan in Nazara, waar hij was opgevoed,
en ging naar eigen gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge.
Hij stond op om de lezing te doen en kreeg de boekrol van de profeet Jesaja.
Hij opende de rol en vond de plaats waar staat geschreven:
“De Geest van de Heer is op mij,
want hij zalfde mij om de goede boodschap te brengen aan armen,
hij zond mij uit om gevangenen vrijlating te verkondigen
en dat blinden weer zien,
om verdrukten vrijgelaten weg te zenden,
om te prediken het welkome jaar van de Heer!”
Hij sloot de boekrol, gaf die terug aan de helper en ging zitten.
Aller ogen in de synagoge waren nu op hem gericht
en hij nam weer het woord en zei tot hen:
“Vandaag is wat hier geschreven is in uw oren in vervulling gegaan!”
Allen getuigden over hem en waren vol verwondering
over die woorden vol genade die voortkwamen uit zijn mond.
Maar ze zeiden ook: “Is dit niet de zoon van Jozef?”
Hij zei tot hen: “Overal zien ze in mij het spreekwoord ‘dokter, genees jezelf!’
Doe alles wat we hebben gehoord dat geschied is in Kafarnaoem,
ook hier bij ons, in je vaderland!”
Maar hij zei: “voorwaar, ik zeg u:
niet één profeet is welkom in zijn vaderland!
Ik zeg u naar waarheid:
vele weduwen waren er in de dagen van Elia in Israël,
toen de hemel gesloten werd voor drie jaren en zes maanden,
zodat er een grote honger woedde over heel het land,
en tot niet één van hén werd Elia gestuurd,
maar wel naar Sarepta bij Sidon, tot een weduwvrouw,
en vele leprozen waren er in Israël ten tijde van de profeet Elisa,
en niet één van hen werd gereinigd, maar wél Naäman de Syriër!”
Allen die in de synagoge deze dingen hoorden werden vervuld van woede.
En dan volgt de scène dat hij door zijn dorpsgenoten bijna gelyncht wordt.
Overweging
Wij reden op huurbrommertjes in het kale landschap bij de zuidkust van Kreta. We waren verhit, verdwaald, ons water was bijna op en een dorp was nergens te bekennen. Mijn bijna zes maanden zwangere geliefde voelde zich niet al te best en we maakten ons ook nog bezorgd over onze benzine. Toen zagen we voorbij een bocht ineens een huisje, een hutje eerder, en de vrouw die er op het land bezig was wenkte ons. Ze keek ons aan alsof we aliens waren. Ons Grieks was niet toereikend om haar te begrijpen, dus dat moest met handen en voeten. We begrepen dat we binnen mochten komen. Daar troffen we haar man, invalide, en vier kleine kinderen. Het was er donker maar koel, er waren nauwelijks meubels en langs de muren lagen matrassen. Er was een aanrecht met een petroleumpitje en er stond een verroest tafelkoelkastje. Armoede. Maar dat weerhield deze mensen er niet van om ons op hun stoelen neer te zetten en ons te trakteren op allerlei zoetigheden, harde worsten en kazen van eigen geit, én water, en de vader toverde ergens van een plank een fles met eigen stooksel sterkedrank. Mijn geliefde wees op haar buik en schudde haar hoofd, maar ik moest en zou een glaasje. De kinderen beklommen ons en iedereen stelde ons vragen die wij niet begrepen. Ollandia! Wij bleven stralend lachen en dat was antwoord genoeg, leek het. Wij maakten foto’s van het stel en vooral van de kinderen en beloofden met handen en voeten om die als we weer thuis waren af te drukken en toe te sturen. Dat is later gelukt.
Overweldigd door deze warme ontvangst kropen wij na een half uur met dankbare hoofdknikken onze brommers en reden zwaaiend weg. Vijf minuten verderop bereikten we ineens een dorp waar we benzine konden kopen. Honger en dorst hadden we niet meer.
Gastvrijheid is in het Grieks filoxenía, letterlijk: ‘liefde voor de vreemdeling’ en het is sinds de oudheid de trots van de Grieken. We zijn er vele malen geweest, verleden jaar nog bezochten we ons 50ste eiland, en we werden in al die jaren vaak verrast door vergelijkbare gebeurtenissen als toen op Kreta, ondanks de toename van het massatoerisme. We leerden de subtiliteiten van dankbaarheid, die er nooit duimendik bovenop mocht liggen en die vooral neerkwam op een oprechte uitnodiging om ook eens van onze vrijheid te komen genieten.
Waarom deze herinnering? Het verhaal van Jezus’ optreden in de synagoge van zijn jeugd is van gastvrijheid een spiegelbeeld. Hij is in dat dorp de zoon van de timmerman, dimmen dus, en waarom staat hij daar zo te oreren? Noemt hij zichzelf een profeet? Zegt hij dat zijn komst verkondigd is door de grote profeet Jesaja? Gaat hij ons echt vertellen dat hij in de Bijbel staat? Dat hij liever in het buitenland is dan waar hij thuis is? Kijkt hij op zijn afkomst neer? Zijn wij hier te min? Wát zegt hij? Niet welkom in zijn eigen dorp? Wat een hoogmoed! Opzouten met die opschepper. We zullen hem eens leren hoe gastvrij wij hier zijn.
Het verhaal – ook dit verhaal lees ik als een gelijkenis – laat zien dat Jezus zich laat kennen als vreemdeling in het eigene en als welkome gast in den vreemde. “En wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en geherbergd?” En Jezus had kunnen antwoorden: “Hebben jullie me dan geherbergd toen ik in eigen land als vreemdeling tegenover jullie stond?”
Wat mij opvalt op de foto van Kees de Winter is die toerist, ze is in Griekenland en Italië geweest zo te zien en ze staat met haar rolkoffertje voor een deur. Het is niet haar eigen deur, en ze komt niet thuis na een welbestede vakantie. Zie die vuile hand en die versleten mouw. Dit beeld vangt het contrast, de tegenstrijdigheid, de paradox van de gastvrijheid. Wat voor de meesten van ons zo vanzelfsprekend is op vakantie, ja waar we recht op menen te hebben omdat we ervoor betaald hebben, dat is voor anderen een zaak van levensbelang: gastvrij ontvangen worden als je ontheemd bent. Zoals zij jou zouden ontvangen als je met lege handen en dakloos vóór hen zou staan.
De leden van dat Griekse gezin vonden het een voorrecht dat ze ons mochten ontvangen en van alles mochten toestoppen. En ze vonden het vanzelfsprekend dat ze hun schaarste mochten delen met anderen.
Vreemdelingen zien zoals zij ons willen zien: ook dit werk van barmhartigheid heeft Jezus aan den lijve ondervonden en zal hij in menig gesprek met gojim aan de orde stellen. Gaat de naakte gebukt onder maatschappelijke en sociale ‘weerloosheid’, de vreemdeling heeft geen ‘stem’, wordt door eigenheimers ‘illegaal’ genoemd en ons vorige kabinet bedreigde zelfs degenen die hen bijstaan. Zij hebben dus geen ‘bestaansrecht’ volgens sommigen. En willen wij dan wel gul onthaald worden in verre landen als we daar te gast willen zijn?
Gastvrijheid is een universeel thema, ook in tal van religies en in oude verhalen. Een van de mooiste verhalen van de Romeinse dichter Ovidius is dat van het oude Griekse echtpaar Filemon en Baucis. (Te vinden in de Metamorfosen, boek 8, 626-724). Ze zijn straatarm en in hun schamele huis ontvangen ze op een dag twee vreemdelingen, die bij het vallen van de avond onderdak zoeken. Zij delen met hen gul van hun armoede en bieden hun eigen bedden aan, terwijl ze zelf op de grond gaan slapen. De volgende dag ontpoppen de twee vreemdelingen zich als de goden Zeus en Hermes. Zij prijzen de echtelieden en die mogen als beloning kiezen wat ze willen. Als voorschot toveren de goden hun huis om in een prachtige tempel. Het woord is aan Ovidius:
En dan klinkt de stem van oppergod Zeus die hen geruststelt:
“Jullie, oude man en vrouw, die beiden zo rechtschapen leven,
zeg wat jullie nog te wensen over hebben.” Na kort overleg met Baucis vertelt Filemon aan de goden wat ze besloten hebben.
“Wij willen hier graag priesters zijn, hier voor uw tempel zorgen,
dat vragen wij, maar bovenal, omdat wij altijd samen zijn geweest,
geef dat éénzelfde uur ons beiden haalt, zodat ik nooit
het graf zie van mijn vrouw en zij mij nooit hoeft te begraven.”
Hun wensen worden werkelijkheid. Zolang hun leven duurde,
bewaakten zij de tempel. Op een dag, toen zijn, zeer oud nu,
voor die gewijde trappen stonden en nog altijd spraken
over dat wonder van toen, zag Baucis bij Filemon plots,
net zoals hij bij Baucis, groen lover groeien,
en snel ook stak een boomtop boven beider hoofden uit.
Zij hadden nog net de tijd om elkaar vaarwel te zeggen
en elkaar ‘mijn lief’ te noemen: toen verdween hun mond
in takkengroen... Nog altijd wijzen Frygische bewoners
die bomen aan, twee naast elkaar, in de vorm van een mensenpaar.
Dit is het koninkrijk dat jullie bereid is van de grondlegging van de wereld, dit is de gelijkenis, dit is de dank voor gastvrijheid: dat twee mensen elkaar mogen zien, elkaar bij de naam mogen noemen, elkaar mogen liefhebben, in elkaar mogen opgaan en samen mogen leven. “Dan is dit de plaats, de plaats van het zien, dit de tijd, de tijd om te zijn, dit de bron, de bron van de levende die mij ziet.”
Dit is de eeuwigheid in één ogenblik. Je naaste, ook de verre vreemdeling liefhebben, omdat die er een is als jijzelf. Keer u om naar ons toe, keer ons toe naar elkaar. Amen
Voorbeden (Cokkie)
Voordat we samen gaan bidden wil ik een paar van uw reacties op de foto voorlezen.
(Alle reacties zullen nog te zien zijn bij de boekentafel)
Laten we bidden:
-Lieve God keer u om naar ons toe en hoor onze gebeden
We bidden voor de groten hier op aarde die uit alle macht nog groter willen worden terwijl zij de kleinen, de onschuldigen vertrappen en tot ontheemden maken. Dat zij tóch ooit tot inkeer komen.
We bidden voor ieder mens die zoekt naar geborgenheid, letterlijk een huis, een bed en figuurlijk aandachtige zorg. Dat wij hen zien, ons naar hen toe keren en omarmen….. als dat zou kunnen.
We bidden voor onszelf, dat we ons durven inkeren en zien wat wij nalaten te doen.
Keer ons om, breng ons in beweging en geef ons uw vertrouwen, zodat we weten, voelen en kunnen delen dat een eenvoudig uitgestoken hand die ander, en ook onszelf, kan helpen.
Intentie boek
Lied: Keer (refrein)
Breken en delen
Brood delen we met elkaar
Wijn delen wij met elkaar.
Als teken dat wij verlangen naar een manier van leven
waarin de liefde voor elkaar
het wint van haat en onverschilligheid.
Als teken dat wij weten dat brood en wijn, eten en drinken,
niet alleen bestemd zijn voor hen die bezitten maar voor allen.
Als teken dat wij weten dat het licht in mensen
anderen van de duisternis verlost.
Zoals Jezus van Nazareth, mensenzoon,
door zijn leven, sterven en opstaan uit de doden,
heeft voorgeleefd, heeft laten zien en horen,
en met ons heeft willen delen. Amen
Vanaf de toekomststoel
Uit Het Klimaatboek, een initiatief van Greta Thunberg. Het verhaal van Ayisha Siddiau uit Pakistan.
….de laatste alinea: We moeten ons denken veranderen. We kunnen niet toestaan dat dezelfde sociaal-economische systemen die ons naar onze eigen vernietiging leiden de fundamenten zijn van een nieuwe wereld. We moeten leren van de mensen die nog steeds in leven zijn nadat macht en hebzucht keer op keer geprobeerd hebben hen te doden. We moeten leren dat zachtmoedigheid en harmonie geen zwakheden zijn; dat zijn de eigenschappen van onze moeder. Dat zijn de dingen die ons in leven hebben gehouden.
Zegenwens
God, die op ons neerziet vanuit de hoogste hemel
God, die naar ons opkijkt als de minste onder de mensen
God die onder ons is, ons bezielt en ons in beweging brengt
De nabijheid van die God, zijn ontferming en haar liefde,
is ons allen gegeven in de geboorte van een mensenkind,
in de Messias, Jezus van Nazareth die ons liefheeft
en in de heilige Geest die ons verlicht en verwarmt.
Mogen wij dit geschenk ervaren en beleven,
Nu, elke dag en in de eeuwen der eeuwen.
Zegen ons op onze levensweg. Amen

