Voorgangers: Paul van der Harst en Tamme Wiegersma

Ziende blind vooruitkijken Romeinen 15: 1 – 6 en Mt 3: 1 – 12

INLEIDING

Bij de aanvang van onze viering vanmorgen

hebben we een paar vreemde gasten uitgenodigd.

Zij komen zo aan het woord in een filmpje.

Vreemde gasten: Het zijn de bewoners van zogenaamde Skaeve Huse,

vreemde huizen, een tiental woningen voor mensen

die in een gewone woonomgeving niet te hanteren zijn.

Het gaat hier om een projekt dat al bijna tien jaar bestaat in Hilversum.

En dat is opgezet naar het voorbeeld van dit soort woonprojekten in Denemarken waar er honderden van die ‘vreemde huizen’ gerealiseerd zijn.

In Den Haag wordt er al twintig jaar lang gesproken, gedacht, gekeken

– maar niets concreets gedaan – aan een dergelijk projekt.

Het Haagse Straat Consulaat heeft het huidige College

– dat deze aanpak wel op papier heeft omarmd –

kortgeleden nog eens opgeroepen om nu eens eindelijk iets

met deze aanpak te gaan doen.

Nu eerst de vreemde gasten: Youtube Skaeve Huse Kintes Zuid

Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren.

En de realisatie van heel veel van dit soort projekten

wordt afgeblazen omdat er gewoon geen draagvlak voor is.

De omwonenden zijn er tegen; ook al worden dit soort huisjes geprojekteerd

op tamelijk afgelegen plekken in woonwijken.

In Amersfoort – waar ik woon – zijn we ook al jaren bezig met een projekt

voor een tiental van dit soort huisjes.

En natuurlijk, de plek die is aangewezen bevalt omwonenden helemaal niet.

‘Niet in mijn achtertuin’ is de boodschap aan het college,

en in Nederland kun je de boel dan lang ophouden.

En ik vraag me af: als ze nu eens in mijn ‘achtertuin’ Skaeve Huse zouden plannen.

Zou ik dan met de andere buurtbewoners beginnen over de ‘veiligheid’ die in gevaar is.

De kinderen die er langs moeten op weg naar het sportveld,

de mensen met hun honden, daar langs dat donkere stukje.

De veiligheid, mijn veiligheid …. het zijn toch mensen doorgaans met psychische klachten? Onberekenbaar vaak. De drank en de drugs, wat voor aantrekking heeft dat niet op foute lui?

En de prijs van mijn  woning, hallo, die zal zeker zakken, wie gaat dat betalen?

Wie weet wat ik zou zeggen.

Wat ik zou zien. Wie zou ik zien?

Wie zou ik over het hoofd zien?

Ben ik het: ziende blind?

Ben ik ziende blind als ik zo vooruitkijk?

Zingen: om wat misdaan wordt

Gebed

Bidden wij hier, in dit huis, deze vertrouwde kring

om opnieuw een oefening in gevoeligheid

om nieuwe ogen, een open hart om vreemde gasten aan te zien.

Om aan het vreemde voorbij te kijken

en de mens te ontdekken aan alle vreemdheid voorbij.

In de gekte van de tijd,

waar ook in onze straten, onze stad de dreigende woorden en daden

verlammend werken, de achterdocht doen groeien

zwijgen veiliger wordt dan spreken.

Kunnen wij gevoeligheid oefenen?

Barmhartige, maak dat we daarin vanmorgen mogen groeien

Hem achterna, uw Geliefde

die de vreemde in het oog hield, de mens aan de kant,

de ander, de vreemde, de kleine in het midden zette.

Amen

Ziende blind vooruitkijken Romeinen 15: 1 – 6 en Mt 3: 1 – 12

Wat ik zou zien. Wie zou ik zien?

Wie zou ik over het hoofd zien?

Ben ik het: ziende blind?

Ben ik ziende blind als ik zo vooruitkijk?

Zingen: om wat misdaan wordt

Gebed

Bidden wij hier, in dit huis, deze vertrouwde kring

om opnieuw een oefening in gevoeligheid

om nieuwe ogen, een open hart om vreemde gasten aan te zien.

Om aan het vreemde voorbij te kijken

en de mens te ontdekken aan alle vreemdheid voorbij.

In de gekte van de tijd,

waar ook in onze straten, onze stad de dreigende woorden en daden

verlammend werken, de achterdocht doen groeien

zwijgen veiliger wordt dan spreken.

Kunnen wij gevoeligheid oefenen?

Barmhartige, maak dat we daarin vanmorgen mogen groeien

Hem achterna, uw Geliefde

die de vreemde in het oog hield, de mens aan de kant,

Overweging

Stel je voor, die ‘vreemde gasten’ in een tiental skaeve huse bij jou in de buurt.

Al twintig jaar dus is de gemeente Den Haag met het idee bezig.

Maar vind maar een geschikte plek.

Vind maar een draagvlak om zoiets te realiseren bij mensen in de buurt.

Natuurlijk: iedereen zíet die mensen wel, maar het liefst loop je er aan voorbij.

De hunkering naar veiligheid maakt ziende blind.

Als het gaat om het omgaan met de ‘vreemde ander’

hebben we de laatste decennia al heel wat beleidstermen horen langskomen.

Assimilatie, integratie, emancipatie, participatie

en nu zijn we aangekomen bij de nieuwe beleidsbuzz: ‘inclusie’.

Steeds weer veranderende termen die allemaal verwijzen naar een uitdaging,

zo je wilt een probleem:

hoe gaan mensen met elkaar om in onze samenleving

waarin cultuur, omgangsvormen, taal, religie veranderen?

Een samenleving waarin we dicht op elkaar leven

maar ondertussen veel meer op onszelf zijn aangewezen

en afwijken van de norm steeds meer een probleem wordt van een individu.

En in de geïndividualiseerde samenleving

waar een sociale vanzelfsprekende bescherming ontbreekt

gaat de angst voor de vreemde steeds meer meespelen,

aangewakkerd door tweespaltdrijvers en de haatzaaiers.

Zo is het beschermen van de eigen individuele veiligheid een leidend thema geworden.

De beweging naar binnen naar de eigen herkenbare groep is gauw gemaakt.

Mensen zoeken elkaar op in verbanden waarin ze elkaar herkennen,

dat geeft een gevoel van veiligheid.

Een Haagse Dominicus kan ook zo’n veilige groep zijn

waarin je je – als is het maar voor even – herkend en erkend voelt

door min of meer gelijkgezinden.

Elkaar herkennen door de gedeelde ‘tale Oosterhuis’,

iets van een christelijke geboortegrond, de progressieve maatschappelijke oriëntatie.

Kan zo ‘ons kent ons’ een eiland worden, ongewild tegenover de anderen?

Zijn wij de ‘sterken’ die het allemaal zien

en de orthodoxe christenen, moslims, hindoes, de aanhangers van rechts, mensen met irritant gedrag … zijn zij de ‘zwakken’?

De geschriften van het Nieuwe Testament zijn allemaal ontstaan in een tijd

waarin ook grote veranderingen spanningen gaven, vragen opriepen.

Waar het voorbereiden op oorlog mensen bij voorbaat verdacht maakte.

In de lezing uit Mattheüs wordt dat toegespitst in de botsing

tussen de profetische Johannes en twee bij name genoemde joodse groeperingen,

de Sadduceeën en de Farizeeën

beide op hun manier ‘precies’, strak in de leer, in de gehoorzaamheid aan de joodse wet.

Johannes pakt ze hard aan: ‘addergebroed, wie heeft je wijsgemaakt

dat je je in veiligheid kunt stellen voor het komende oordeel?’.

Johannes beschuldigt ze ervan dat ze ziende blind zijn,

ze denken dat ze heel erg sterk zijn juist omdat zij zo precies weten hoe het hoort

maar ze zijn in feite zwak omdat ze zich opsluiten in hun traditie.

De sterke Johannes wijst hen op hun zwakte:

‘breng liever vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn’.

Hij neemt hen niet kwalijk dat ze de wetsregels volgen

maar hij neemt hen kwalijk dat ze zich daarmee blind maken,

ongevoelig voor wat er moet gebeuren

om iets van het koninkrijk der hemelen dichterbij te brengen.

En wijst ze een andere weg. Laat hen een andere mogelijkheid zien.

Paulus haalt in de confrontatie tussen sterken en zwakken

het voorbeeld dichterbij van Jezus,

die ondanks zijn radicale omdenken van de rol van de godsdienst in zijn tijd

toch probeerde in gesprek te blijven met de ‘zwakken’.

De mensen die vast bleven houden aan hun gesloten traditie,

hun ongevoeligheid voor anderen van buiten, hun onaantastbaarheid.

Die zwakken, die ten opzichte van de anderen

bleven eisen dat de vreemden zich eerst zouden aanpassen.

En dan noemt Paulus wat de Gezalfde, de Christus heeft gedaan

om bruggen te bouwen: hij heeft aan de ene kant de mensen gediend

die aan de besnijdenis vasthouden

en aan de andere kant heeft hij de mensen uit de ‘volkeren’

de barmhartigheid van God laten zien.

‘Laat ieder van ons zich richten op het belang van de ander,

op wat goed en opbouwend is voor hem’.

De profeet Johannes windt er geen doekjes om:

je kunt denken dat je heel sterk staat in je eigen gelijk,

maar dan ben je ziende blind, je doet niet wat moet worden gedaan.

Keer je om!

De apostel Paulus zegt: je kunt nog zo sterk zijn maar als je daarbij

de zwakken niet meeneemt dan valt de droom van een koninkrijk van recht en vrede in duigen.

De sterken kunnen de zwakken gaan zien,

en daarmee hun eigen zwakte, hun blindheid onder ogen komen.

Sterken kunnen gevoelig en voorbeeldig leren leven, in doen en laten.

En de zwakken? Paulus zegt dat zij in aanraking komen met de barmhartigheid van God. 

En dan kan er heel wat op gang komen.

Kunnen mensen verder leren kijken

dan hun al te grote verdediging van ‘eigen veiligheid’, eigen cultuur, eigen gewoonten, eigen land.

Paulus rekent zichzelf bij de sterken

maar wijst op het gevaar van ‘eigen zeker weten’ en daarmee op de blindheid voor de ander.

Hoe doe je dat je eigen blindheid bestrijden?

Door naar buiten te gaan, buiten je eigen veiligheid te treden.

Door andere taal te leren verstaan.

Door dichterbij te komen waar het niet is zoals je zelf gewend bent.

Zoals vanuit de Haagse Dominicus ….

Vanuit de Haagse Dominicus besteden mensen hun tijd en aandacht

aan anderen buiten de eigen kring, steken hun voelhorens uit naar buiten

als ze meewerken in de Voedselbank,

de ondersteuning van vluchtelingen, van mensen van de straat,

een langdurig zieke vriend bezoeken, meewerken in het Respijthuis House Martin, …

Dat kan heel confronterend zijn.

Omdat de anderen zo anders zijn, is er ook verwarring, soms twijfel aan het nut,

Aarzeling over de rol die je hebt – wie geeft, wie ontvangt?

Kan ik als ‘sterke zwak’ zijn, mijn eigen zwakte erkennen,

mijn eigen blindheid zien?

Ik lees ergens;

wij, ‘de sterken’ worden door God gevonden

als we zwak kunnen zijn.

Als we gevoelig, voorbeeldig leven en in de ander de Ene zien.

TOT SLOT:

Na het zingen van het lied: veel te laat heb ik jou lief gekregen’

vragen we jullie om in twee woorden op te schrijven

waar jij een poging doet of deed, of wilt gaan doen

om die gevoeligheid voor de ander, het andere

te ontwikkelen, te oefenen, te doen.

En dan tijdens het zingen van het slotlied ‘Ubi Caritas’

wisselen we al lopend met elkaar de kaartjes uit.

Je leest je ontvangen kaartje,

en als je verder wilt weten van anderen

ruil je nogmaals en nogmaals.

Zo eindigen we de viering in beweging.

Gevend en ontvangend.

Overweging

Stel je voor, die ‘vreemde gasten’ in een tiental skaeve huse bij jou in de buurt.

Al twintig jaar dus is de gemeente Den Haag met het idee bezig.

Maar vind maar een geschikte plek.

Vind maar een draagvlak om zoiets te realiseren bij mensen in de buurt.

Natuurlijk: iedereen zíet die mensen wel, maar het liefst loop je er aan voorbij.

De hunkering naar veiligheid maakt ziende blind.

Als het gaat om het omgaan met de ‘vreemde ander’

hebben we de laatste decennia al heel wat beleidstermen horen langskomen.

Assimilatie, integratie, emancipatie, participatie

en nu zijn we aangekomen bij de nieuwe beleidsbuzz: ‘inclusie’.

Steeds weer veranderende termen die allemaal verwijzen naar een uitdaging,

zo je wilt een probleem:

hoe gaan mensen met elkaar om in onze samenleving

waarin cultuur, omgangsvormen, taal, religie veranderen?

Een samenleving waarin we dicht op elkaar leven

maar ondertussen veel meer op onszelf zijn aangewezen

en afwijken van de norm steeds meer een probleem wordt van een individu.

En in de geïndividualiseerde samenleving

waar een sociale vanzelfsprekende bescherming ontbreekt

gaat de angst voor de vreemde steeds meer meespelen,

aangewakkerd door tweespaltdrijvers en de haatzaaiers.

Zo is het beschermen van de eigen individuele veiligheid een leidend thema geworden.

De beweging naar binnen naar de eigen herkenbare groep is gauw gemaakt.

Mensen zoeken elkaar op in verbanden waarin ze elkaar herkennen,

dat geeft een gevoel van veiligheid.

Een Haagse Dominicus kan ook zo’n veilige groep zijn

waarin je je – als is het maar voor even – herkend en erkend voelt

door min of meer gelijkgezinden.

Elkaar herkennen door de gedeelde ‘tale Oosterhuis’,

iets van een christelijke geboortegrond, de progressieve maatschappelijke oriëntatie.

Kan zo ‘ons kent ons’ een eiland worden, ongewild tegenover de anderen?

Zijn wij de ‘sterken’ die het allemaal zien

en de orthodoxe christenen, moslims, hindoes, de aanhangers van rechts, mensen met irritant gedrag … zijn zij de ‘zwakken’?

De geschriften van het Nieuwe Testament zijn allemaal ontstaan in een tijd

waarin ook grote veranderingen spanningen gaven, vragen opriepen.

Waar het voorbereiden op oorlog mensen bij voorbaat verdacht maakte.

In de lezing uit Mattheüs wordt dat toegespitst in de botsing

tussen de profetische Johannes en twee bij name genoemde joodse groeperingen,

de Sadduceeën en de Farizeeën

beide op hun manier ‘precies’, strak in de leer, in de gehoorzaamheid aan de joodse wet.

Johannes pakt ze hard aan: ‘addergebroed, wie heeft je wijsgemaakt

dat je je in veiligheid kunt stellen voor het komende oordeel?’.

Johannes beschuldigt ze ervan dat ze ziende blind zijn,

ze denken dat ze heel erg sterk zijn juist omdat zij zo precies weten hoe het hoort

maar ze zijn in feite zwak omdat ze zich opsluiten in hun traditie.

De sterke Johannes wijst hen op hun zwakte:

‘breng liever vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn’.

Hij neemt hen niet kwalijk dat ze de wetsregels volgen

maar hij neemt hen kwalijk dat ze zich daarmee blind maken,

ongevoelig voor wat er moet gebeuren

om iets van het koninkrijk der hemelen dichterbij te brengen.

En wijst ze een andere weg. Laat hen een andere mogelijkheid zien.

Paulus haalt in de confrontatie tussen sterken en zwakken

het voorbeeld dichterbij van Jezus,

die ondanks zijn radicale omdenken van de rol van de godsdienst in zijn tijd

toch probeerde in gesprek te blijven met de ‘zwakken’.

De mensen die vast bleven houden aan hun gesloten traditie,

hun ongevoeligheid voor anderen van buiten, hun onaantastbaarheid.

Die zwakken, die ten opzichte van de anderen

bleven eisen dat de vreemden zich eerst zouden aanpassen.

En dan noemt Paulus wat de Gezalfde, de Christus heeft gedaan

om bruggen te bouwen: hij heeft aan de ene kant de mensen gediend

die aan de besnijdenis vasthouden

en aan de andere kant heeft hij de mensen uit de ‘volkeren’

de barmhartigheid van God laten zien.

‘Laat ieder van ons zich richten op het belang van de ander,

op wat goed en opbouwend is voor hem’.

De profeet Johannes windt er geen doekjes om:

je kunt denken dat je heel sterk staat in je eigen gelijk,

maar dan ben je ziende blind, je doet niet wat moet worden gedaan.

Keer je om!

De apostel Paulus zegt: je kunt nog zo sterk zijn maar als je daarbij

de zwakken niet meeneemt dan valt de droom van een koninkrijk van recht en vrede in duigen.

De sterken kunnen de zwakken gaan zien,

en daarmee hun eigen zwakte, hun blindheid onder ogen komen.

Sterken kunnen gevoelig en voorbeeldig leren leven, in doen en laten.

En de zwakken? Paulus zegt dat zij in aanraking komen met de barmhartigheid van God. 

En dan kan er heel wat op gang komen.

Kunnen mensen verder leren kijken

dan hun al te grote verdediging van ‘eigen veiligheid’, eigen cultuur, eigen gewoonten, eigen land.

Paulus rekent zichzelf bij de sterken

maar wijst op het gevaar van ‘eigen zeker weten’ en daarmee op de blindheid voor de ander.

Hoe doe je dat je eigen blindheid bestrijden?

Door naar buiten te gaan, buiten je eigen veiligheid te treden.

Door andere taal te leren verstaan.

Door dichterbij te komen waar het niet is zoals je zelf gewend bent.

Zoals vanuit de Haagse Dominicus ….

Vanuit de Haagse Dominicus besteden mensen hun tijd en aandacht

aan anderen buiten de eigen kring, steken hun voelhorens uit naar buiten

als ze meewerken in de Voedselbank,

de ondersteuning van vluchtelingen, van mensen van de straat,

een langdurig zieke vriend bezoeken, meewerken in het Respijthuis House Martin, …

Dat kan heel confronterend zijn.

Omdat de anderen zo anders zijn, is er ook verwarring, soms twijfel aan het nut,

Aarzeling over de rol die je hebt – wie geeft, wie ontvangt?

Kan ik als ‘sterke zwak’ zijn, mijn eigen zwakte erkennen,

mijn eigen blindheid zien?

Ik lees ergens;

wij, ‘de sterken’ worden door God gevonden

als we zwak kunnen zijn.

Als we gevoelig, voorbeeldig leven en in de ander de Ene zien.

TOT SLOT:

Na het zingen van het lied: veel te laat heb ik jou lief gekregen’

vragen we jullie om in twee woorden op te schrijven

waar jij een poging doet of deed, of wilt gaan doen

om die gevoeligheid voor de ander, het andere

te ontwikkelen, te oefenen, te doen.

En dan tijdens het zingen van het slotlied ‘Ubi Caritas’

wisselen we al lopend met elkaar de kaartjes uit.

Je leest je ontvangen kaartje,

en als je verder wilt weten van anderen

ruil je nogmaals en nogmaals.

Zo eindigen we de viering in beweging.

Gevend en ontvangend.

Goede god,

Jij, die mij ziet zoals ik ben.
Immers : ieder mens wil uiteindelijk ontmoet worden.
Wil gezien worden.
Gekend, en bemind.

Om onze gevoeligheid te ontwikkelen
bij het nog zwakke licht van advent
en in alle verdriet, in moeite en zucht
tekenen van uw liefde zien

We zien hoe vluchtelingen worden weggezet alsof
zij het probleem zijn. Terwijl zij juist van grote waarde zijn.

We bidden dat wij onze ogen op een goede manier gebruiken
en niet zomaar afgaan op wat we zien aan de buitenkant
maar die ander ontdekken hoe die ander werkelijk is

Dat onze oren horen de noden van onze naaste,
-waar ook op deze wereld-
en niet onverschillig oost-indisch doof zijn

Dat we niet negatief praten over de ander
maar begrip tonen met woorden van troost

We bidden dat we onze handen gebruiken
om die ander waar nodig te helpen, hoe dan ook

Dat we gaan waar nog geen wegen bestaan
vrede de weg voor onze voeten

Goede god,

stel ons hart open om warmhartig en bruggenbouwer te zijn en
verder kijken dan eigen gelijk.

“Want gelukkig zijn zij, die met anderen medelijden hebben en met hen meeleven.”

Amen.

MATTHEÜS 3 (Naardense Bijbel)

1 In die dagen treedt Johannes de Doper aan,

predikend in de woestijn van Judea,

2 zeggend: bekeert u!- want genaderd is het koninkrijk der hemelen!

3 Want híj is het

van wie gesproken is door de profeet Jesaja, als hij zegt:

de stem van een die schreeuwt in de woestijn:

bereidt de weg van de Heer,maakt recht zijn paden (Jes. 40,3)!

4 Hij, Johannes, heeft zijn kleed gehad uit kameelharen,

met een gordel van huid om zijn lende;

zijn voedsel is geweest: sprinkhanen en wilde honing.

5 Tóen is Jeruzalem en heel Judea

en heel de omstreek van de Jordaan tot hem uitgetrokken,

6 en zij hebben zich in de rivier de Jordaan door hem laten dopen,

onder belijdenis van hun zonden.

7 Maar als hij

velen van de Farizeeërs en Sadduceeërs

op de doop af ziet komen, zegt hij tot hen:

adderenbroedsels,

wie heeft u de wenk gegeven te vluchten voor de aanstormende toorn?-

8 draagt dan vrucht die waardig is aan de bekering;

9 en denkt niet bij uzelf te kunnen zeggen:

wij hebben Abraham als vader!-

want ik zeg u dat God bij machte is uit deze stenen

kinderen voor Abraham op te wekken;

10 maar reeds ligt de bijl-der-waardigheid bij de wortel van de bomen;

elke boom dan die geen goede vrucht draagt

wordt omgehakt en in een vuur geworpen;

11 ík doop u met water, tot bekering,

maar die na mij komt is sterker dan ik,-

ik ben niet bekwaam om hem zijn sandalen na te dragen;

híj zal u dopen met heilige geestesadem en vuur;

12 zijn wan is in zijn hand en hij zal zijn dorsvloer door en door reinigen;

hij zal zijn koren samenbrengen in de schuur,

maar het kaf zal hij verbranden in een onblusbaar vuur.

Bij de lezing uit de brief aan de Romeinen Romeinen 15: 1 – 9c en 13

Paulus schrijft zijn brief aan ‘de Romeinen’ aan de verschillende groepen gelovigen in Rome die zijn gegrepen door het revolutionaire omdenken

dat is ingezet door de Jezus-beweging.

Maar er zijn grote verschillen tussen die Romeinse groepen,

ze kunnen elkaar niet luchten noch zien.

De rekkelijken – die Paulus ‘de sterken’ noemt –

hebben een heel proces doorgemaakt om met mensen uit allerlei achtergrond

– slaven en vrijen, mannen en vrouwen, joden en niet joden

samen de nieuwe beweging te omarmen.

Bij de ‘zwakken’, is dat niet het geval,

zij zijn vooral gevoed door de joodse gebruiken en willen daar aan vast houden.

Zij zijn wel voor de vernieuwing maar zijn precies, nauwlettend

als het gaat om de eerbiediging van hoe je met de joodse leefregels moet omgaan.

Over de spanning tussen die twee groepen schrijft Paulus:

Romeinen 15 (Bijbel in Gewone Taal)

1 De meesten van ons kunnen goed omgaan met de vrijheid die God ons geeft.

Maar sommigen uit [ onze gemeenten] hebben een zwak geloof.

Zij hebben het moeilijk met die vrijheid.

Wij moeten hen helpen, en niet bezig zijn met wat goed is voor onszelf.

2 Ieder van ons moet doen wat goed is voor de ander en wat de ander helpt.

3 Ook Christus was niet bezig met wat goed was voor hemzelf.

Hij deed alleen wat God wilde.

Dit staat over hem in de heilige boeken:

«God, telkens als mensen u beledigen, doet mij dat pijn.»

4 Alles wat in de heilige boeken staat, is al lang geleden opgeschreven voor ons.

Het geeft ons uitleg over Gods plan.

Zo geven de heilige boeken ons moed om vol te houden,

en om op God te blijven vertrouwen.

5 God zelf geeft ons moed en kracht om vol te houden.

En ik bid dat God jullie zal helpen om het voorbeeld van Jezus Christus te volgen. Dan leren jullie om met elkaar mee te voelen.

6 Want dan zijn jullie echt een eenheid.

En dan kunnen jullie samen

de God en Vader van onze Heer Jezus Christus alle eer geven.

7 Jullie moeten elkaar dus vol liefde accepteren, tot eer van God.

Want ook Christus heeft jullie allemaal vol liefde geaccepteerd.