Inleiding op het thema
Trouw, trouwer, troost. Troost en trouw zijn taalkundig met elkaar verwant. Troost is de overtreffende trap van trouw. Een mooie gedachte. Wij gedenken vandaag de mensen die we hier, in deze gemeenschap en in ons eigen leven, moeten missen. Het is vandaag Allerzielen en op die dag zoeken mensen traditioneel troost. Ook wij zoeken troost, dat is: trouw, vertrouwen. Wij koesteren het mensenleven dat wij hebben moeten verliezen, wij koesteren het vertrouwen dat ons leven doorgaat. Ons troost de gedachte dat wij deze mens – die er nu niet meer is – gekend hebben, samen met haar of hem een stukje of een heel eind hebben opgelopen, en dat wij hun gedachtenis met ons meenemen in ons eigen voort-leven. In de viering over twee weken zullen we het hebben over her-inneren. En dat betekent letterlijk: iets of iemand je opnieuw te binnen brengen en zo in de tijd met ons meenemen.
U ziet op de omslag van het liturgieboekje een afbeelding, een zogeheten ‘druksel’, dat de Groningse graficus en drukker Hendrik Werkman maakte in een serie van twintig illustraties bij chassidische legenden van Martin Buber. Over die joodse vrome stroming over twee weken meer. Dit is De engel van de laatste troost en die engel begeleidt ons in deze viering. We zullen het niet uitvoerig over engelen hebben vandaag, maar vooral over troost.
De engel van de laatste troost. Ik wil u vragen of u die afbeelding enkele momenten goed in u zou willen opnemen en door u heen laten gaan wat u daarin ziet en wat u erin inspireert. Neemt u die gedachten vervolgens mee in wat vandaag gaat komen.
Over troost gesproken
W: Jolly, we zouden het over troost hebben. Wat is het eerste dat in je opkomt bij het woord troost?
J: Een bakkie troost, koffie dus, een opwekkend middel, je kunt je handen eraan warmen. Jij?
W: Ook zoiets. Een reclame in mijn jeugd: een man uit vroeger tijden met zijn handen en hoofd in een schandblok. Een voorbijganger die hem laat lurken aan een Goudse pijp. Van Rossem’s troost heette die tabak. ‘Gezellig en gezond roken’ stond op de verpakking.
J: Vreemd eigenlijk, dat we het eerst denken aan eten, drinken en andere verslavingen. Maar wat is troost nou echt?
W: Toen jij dat vreemde gedicht van Roelof ten Napel voordroeg moest ik denken aan een vrouw die ik ken. Ze was een maand weduwe en wist niet hoe ze zich staande kon houden. Ze nam een hond. Ze wandelde lange tochten met haar, praatte met haar, verwende haar, maar met mate. Ze zijn al vijf jaar samen, onafscheidelijk. Ik heb niet eens zoveel met honden, maar ik vind het steeds ontroerend om te zien. Doodgewoon, een hond als trooster, als vriendin. Wie laat wie nou uit?
J: Het grappige van dat gedicht over die hond is dat die dichtregels zo uit de pas lopen. Dat doen honden ook, ze leggen minstens vijf keer de afstand af die jij loopt. Zo huppelt ook het gedicht in rondjes. Wat of wie troost mensen die alleen achterblijven? We hebben daar vandaag iets van gezien en gehoord. Je had het er in de inleiding over dat troost in het Nederlands de overtreffende trap van trouw is. Mooi! Trouw, trouwer, troost. Wat troost jou als je iets naars overkomt?
W: Me begraven in eindeloos pietluttig werk met veel details. Muziek niet te vergeten, daar kan ik me in verdrinken. Ik ben niet zwaar in de leer opgevoed, de catechismus speelde in het kerkelijk leven van ons gezin geen rol. Ik heb me er pas later in verdiept. Hoe bijzonder is het dat die zware tekst van de Heidelbergse Catechismus, waarmee zoveel protestanten zijn grootgebracht, begint met die wonderlijke woorden: “Wat is uw enige troost?” Steeds meer kom ik erachter dat ‘troost’ het belangrijkste product is dat in onze kerkelijke winkels ligt.
J: Als ik in die etalage kijk zie ik toch vooral ‘geloof, hoop en liefde’? Die catechismus begint eigenlijk met ‘verdriet’ en ‘lijden’. Want zonder verdriet en leed is er geen troost nodig. Dat wordt in die tekst niet met zoveel woorden gezegd, maar het klinkt er toch wel duidelijk in door.
W: Ja, natuurlijk, die 16de eeuw was een verschrikkelijke tijd, de pest was er nog, het wemelde van de oorlogen, de kindersterfte was hoog, mensen werden niet oud. Dat speelt natuurlijk wel mee in zo’n tekst. Die gaat niet uit van een opgewekt wereldbeeld. Mensen hadden veel troost nodig. Ik moet je eerlijk zeggen dat ik dat vandaag de dag ook merk. In maatschappelijk betrokken geloofsgemeenschappen, zoals ook hier, komen mensen graag samen om te delen wat hen verontrust in deze donkere tijden.
J: Ja, dat was het smartelijke van de coronatijd, dat je je onrust niet of nauwelijks met anderen kon delen. Dat in de begintijd mensen stierven zonder dat hun dierbaren erbij mochten zijn. Ik zie die kerkelijke vieringen nog voor me uit die tijd toen het weer een beetje mocht: her en der plukjes mensen, maximaal twee. Op afstand. Anderhalve meter. In België twee. En dat je elkaar niet mocht aanraken. Huidhonger, ken je dat woord nog? En net als je troost het meeste nodig hebt, mag het niet.
W: In Driebergen hebben we na de aanval op Oekraïne direct een nazit georganiseerd na de zondagse viering. Iedereen bleef na afloop daarvoor zitten. We zaten samen, af en toe zei iemand iets, de pianist improviseerde op ‘Bist Du bei mir’ van Bach, mensen omarmden elkaar, er waren nog ouderen bij die in hun prille jeugd de oorlog hadden meegemaakt, een Haagse vrouw die vertelde dat ze het bombardement van Rotterdam in de verte had gehoord. Die mensen waren echt in paniek bij die herinneringen. Gewoon bij elkaar zitten, delen wat je dwarszit, waar je bang voor bent, elkaar vasthouden. Dat was voor mij trouw, trouwer, troost. Ik heb toen die eerste vraag van de catechismus uitgesproken.
J: Echt waar? Jij durft! Konden ze daar dan iets mee?
W: “Wat is uw enige troost” en daarna komt: “beide in leven en sterven”. Daar hebben we het toen over gehad. Mensen denken meestal dat dit gaat over een leven na de dood, maar zo staat het er niet. Beide: in leven en sterven. Ook in je leven. Daar hebben we toen over gesproken. En over het antwoord op die vraag natuurlijk.
J: Er was niet zo lang geleden een tv-programma over rouw en troost, met samen koffie drinken bij een graf, een bakkie troost dus. Daar was ook eens een oudere man op de begraafplaats die meteen begon met de catechismus, met Jezus Christus, met de Zaligmaker en zo. Daar heb ik nou helemaal niks mee. Maar hij straalde, je zag dat het hem veel deed, die oude tekst. Dat antwoord: “Dat ik met lichaam en ziel niet van mezelf ben, maar…”
W: Ho maar, als we nou eens even niet meteen doorgaan met die tekst. Dat wij met lichaam en ziel niet van onszelf zijn… Hoe mooi is dat? Ook vandaag de dag! Er was een paar jaar geleden een boek over Het dikke ik. Dat ging over ego’s, narcisme, navelstaren, asociaal gedrag, als ik me goed herinner. Dit is het omgekeerde: dat ik niet van mezelf ben. Dat ik een ander nodig heb. En die ander misschien mij. Daar had wat mij betreft de catechismus mee kunnen eindigen.
J: Dat is flauw, het gaat natuurlijk om wat er volgt, over die getrouwe zaligmaker en zo. Het is toch een soort geloofsbelijdenis, zo’n catechismus? Je moest hem vroeger uit je hoofd kennen. Jaren geleden probeerde de Kloosterkerk hier in Den Haag de oude catechismus in nieuwe woorden om te zetten. Dat ging met een lezersoproep. Die eerste vraag werd dan zoiets als: ‘Is voor u de vraag of er een leven is na de dood belangrijk voor uw leven nu?’ Dat vond ik wel een goede vraag.
W: Toch is het wat anders, denk ik. Het is natuurlijk een leuke vrijzinnige oplossing, maar ik heb toch iets met die woorden: dat ik niet van mijzelf ben. Dat is in onze tijd toch vloeken in de ego-kerk? Kijk eens naar die illustratie van Werkman, de engel van de laatste troost. Wat zie jij?
J: Ik zie twee mensen, één in het donker, één in het licht, die in het donker is donker, die in het licht is licht. Twee mensen die elkaar ontmoeten. En ik hoor die laatste regel die we zojuist zongen: “Ogen die mij zien, die mij aanzien, daar”.
W: Dus toch een engel als een wezen van de andere kant, een lichtmens die mij komt halen? Ik zie vooral die arm op de schouder. En ik stel mij steeds de vraag: wie van de twee is nou die engel van de laatste troost? Wie troost wie?
Voorbede
Eeuwige,
hoeder van het leven en de dood,
drager van het grote mysterie,
brenger van troost.
Doe ons beseffen dat de dood onlosmakelijk verbonden is met het leven.
Geef ons de moed om in te zien dat ook wijzélf onderdeel zijn van dat grote mysterie van de cyclus van de seizoenen die komen en gaan, van het licht en het donker, van de in- en de uitademing, van het zichtbare en het onzichtbare, van het leven en de dood, van wat is en van wat onontkoombaar komen gaat. Dáár ja tegen zeggen, brengt ons dichter bij Jou.
Wij zoeken de verbinding met onze geliefden over de grens van het leven heen. Ze leven in ons voort en inspireren ons nog steeds. Wat blijft is de liefde. Roep hun namen!
Geef dat we zolang als we kunnen het leven aandachtig inademen en weten dat uit verwarring en afscheid nieuw leven wordt geboren. Laat dát ons tot troost zijn
We bidden voor iedereen die ernstig of terminaal ziek is. Wees bij hen en hun naasten in deze tijd van woorden en van stilte.
Wij bidden voor degenen die sterven zonder dat hun naam genoemd kan worden. Zij sterven op de vlucht, op straat, zonder huis of familie die zich om hen bekommert. Wij bidden voor de tienduizenden vluchtelingen die de afgelopen jaren geprobeerd hebben een veilig land te bereiken, maar naamloos de dood vonden. Dat hun ziel toch rust vindt.
Ik lees de gebeden uit het intentieboek:
–
–
–
Wij bidden voor degenen uit onze eigen kring die in het jaar dat achter ons ligt, zijn overleden. We noemen hun namen:
– Wil Hoek op 12 december 2024
– Aad Bol op 14 maart
– Co Daas op 16 april
– Corry Versluijs op
Wij bidden voor hun geliefden, dat zij troost mogen vinden in Jou.
Amen
Zegenbede
(vanaf de toekomststoel, naar een tekst van Frans Cromphout)
Moge de weg ons zeggen: volg me maar
Moge de ster ons zeggen: richt je roer op mij
Moge de grond ons zeggen: bezaai me
Moge het water ons zeggen: drink me
Moge het vuur ons zeggen: warm je
Moge de boom ons zeggen: schuil in mijn schaduw
Moge de vrucht ons zeggen: pluk me, eet me.
En als we de weg kwijtraken, verdwalen,
geen vaste grond meer vinden en dreigen te verdrinken
Als het vuur is gedoofd en we kou lijden in een nacht zonder sterren;
als de bomen kaal zijn en we honger en dorst hebben,
Moge de Ene dan bij ons zijn.
Als we het eind naderen en het leven verlaten
Dat Hij ons dan zegt: Het is genoeg,
je bent me lief, je mocht er zijn.
Moge dan haar stem ons zeggen:
Wees niet bang, Ik blijf bij jullie
tot aan het einde der dagen.
Zo zegene ons de Ene, die het leven koestert, kleurt en kroont. Amen
