Voorgangers: Jolly van der Velde en Tamme Wiegersma
Genezing van een verlamde : Handelingen 3 : 1 – 10.
1 Op een dag gingen Petrus en Johannes zoals gewoonlijk omstreeks het negende uur naar de tempel voor het namiddaggebed.
2 Men had ook een man die al sinds zijn geboorte verlamd was naar de tempel gebracht; hij werd daar elke dag neergelegd bij de poort die de Schone heet, om te bedelen bij de bezoekers van de tempel.
3 Toen hij zag dat Petrus en Johannes de tempel wilden binnengaan, vroeg hij om een kleinigheid.
4 Petrus richtte zijn blik op hem, evenals Johannes, en zei: ‘Kijk ons aan.’
5 De bedelaar keek naar hen op, in de verwachting iets van hen te krijgen.
6 Maar Petrus zei: ‘Zilver of goud heb ik niet, maar wat ik wel heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop.’
7 Hij pakte hem bij zijn rechterhand om hem overeind te helpen. Onmiddellijk kwam er kracht in zijn voeten en enkels.
8 Hij sprong op, ging staan en begon te lopen. Daarna ging hij samen met hen de tempel binnen, lopend en springend en God lovend.
9 Alle tempelbezoekers zagen hem lopen en hoorden hem God loven.
10 Ze herkenden hem als de bedelaar die altijd bij de tempelpoort had gezeten en waren buiten zichzelf van verbazing over wat er met hem was gebeurd.
Reflectie Tamme:
Dat is het leven van deze verlamde man die elke dag zit te bedelen bij De Schone, de mooie Poort.
Hij is letterlijk een last. Zijn leven speelt zich af op kniehoogte.
Het leven loopt aan jou voorbij.
Hoe vaak stopt er iemand om een gesprekje aan te knopen?
Dan komen er 2 mannen voorbij.
Dan zegt één van hen: “Kijk me aan.”
Deze verlamde man was niet gewend om mensen in de ogen te kijken.
Wat zou de verlamde man hebben gedacht?
De bedelaar keek op, in de verwachting iets te krijgen.
Zo gaat dat. De verlamde man die elke dag werd weggedragen om te leven van de fooien.
Hij was eraan gewend het leven voorbij te zien lopen, op kniehoogte, levend van fooien om net
niet dood te gaan van de honger.
Blijkbaar zit dat in ons: iemand passeren omdat je bezig was met een belangrijkere bestemming.
We zien die ander over het hoofd, we passeren de ander.
In 2006 ontstond er onder bergbeklimmers grote commotie omdat er een beklimmer, David Sharp, aan zijn lot was overgelaten, bevangen door kou of zuurstofgebrek. Tientallen bergbeklimmers
trokken aan David voorbij. De man stierf daar op de berg. Ongeveer 200 lijken liggen nog steeds op de berg omdat het te kostbaar is om ze van de ijskoude hoogten af te halen.
Er kwam grote kritiek dat de andere klimmers gewoon doorgingen met hun beklimming. Ze wilden hun doel koste wat kost behalen. Ze hadden er duizenden euro’s tegenaan gegooid.
Tja, het is tegen de morele codes van bergbeklimmers in.
Je laat je mede-bergbeklimmers niet achter.
David werd toch gepasseerd en stierf.
Je medemens is minder belangrijk dan de top van de berg. De drukte van het leven.
Hoe bijzonder is het dan wat Petrus en Johannes hier doen: “Ik zie je!”
De mens achter de omstandigheden zien. Om die ander in het licht te zetten.
Dat kunnen we doen: de ander echt zien, omzien naar die ander om die ander in het licht te zetten!
Haagse Dominicus
Zondag 1 juni 2025
VOORBEDEN:
Wij bidden:
“Om de lieve vrede bidden wij
In een wereld die bol staat van vechten en pesten
Van ellebogenwerk en bluffen en pochen
Om mensen die vredestichters kunnen worden
In een wereld waar oorlogen maar niet ophouden
Om de stille stem in het hart bidden wij, die stem
Die ons aanspreekt op onze innerlijke kracht en zachtheid
Die er voor die ander wil zijn
Die ons nodig heeft
We bidden voor de mantelzorger in het verpleeghuis
Een kaartje in de bus, de trouwe beller
We bidden om medebouwers aan ons land en ons geluk
En dat gaat niet zonder ons
We bidden om open ogen en oren
Om licht voor ieder mensenkind
En we bidden wat in het Voorbedenboek staat geschreven.
Want we geloven dat het licht overwint!
z.o.z.
Zo bidden we: “Let een beetje op elkaar”.
Dus laat ons elkaar blijven zien
Met ogen vol liefde en begrip
Want in de ander, vinden we misschien
Het stukje dat ons eigen hart verlicht.
Amen.





Reflectie door Jolly van der Velden
op het hoofdstuk ‘Gemeenschap’
uit het boek ‘Over liefde, twaalf gesprekken met broeder Fransiscus’
van Guy Dilweg (9789071115110)
In mijn jeugd hadden alle meisjes een poesiealbum. Mijn juf van de tweede klas van de Johannes Calvijnschool schreef er het volgende: ‘Denk bij alles wat je doet, noemt de Here God het goed?’ Best wel braaf, zeker moralistisch en uit dat ‘Here God’ spreekt een mannelijke suprematie waar veel van ons geen zin meer in hebben. Ik in ieder geval niet. En toch…
Toch is het een zin die ik mijn hele leven mee heb genomen. Die mij ook rust heeft gegeven, omdat het hoe dan ook een goede leidraad is. Ze bedoelde ermee: ga goed om met elkaar, lieg en bedrieg niet, help elkaar als dat nodig is, wees vriendelijk en denk niet altijd eerst aan jezelf. Een pleidooi voor het goede. Ze bedoelde misschien ook wel: gooi dat snoeppapiertje in de prullenbak en niet op straat, maar vooral ook: heb respect voor elkaar, ook voor meningen of overtuigingen die je niet aanstaan of gedrag dat je niet begrijpt. Wellicht bedoelde ze ook wel; erger je niet aan gedrag dat je storend vindt. En dan komen we bij Franciscus.
Zonder oordeel elkaar accepteren, hoe doen we dat? ‘Een zacht hart, zachte ogen en een tong die weet te zwijgen,’ las ik net. Dat is mooi, maar alles onder het kleed vegen gaat nooit goed. Dat gaat broeien en onopgeruimd vuil gaat stinken. Het is nog niet zo gemakkelijk om wat elkaar accepteren betreft de goede balans te vinden als er emoties meespelen. Ergernis bijvoorbeeld, gaat maar al te snel achter het stuur zitten.
Franciscus zegt iets moois hierover: We kunnen de ander niet veranderen. Het enige waar we invloed op hebben is ons eigen denken en voelen. Wat zegt het over mij als ik mij erger? Wat gebeurt er als ik het verhaal groter maak en kijk naar het waarom van mijn ergernis. Bedrijfskundige Daniel Ofman is hiermee bezig geweest. Hij heeft het concept ontwikkeld van de kernkwadrant. Hierin wordt de wisselwerking duidelijk tussen een kernkwaliteit, valkuil (doorgeschoten kernkwaliteit), uitdaging en allergie, ofwel een ergernis.
Als ik dat als voorbeeld op mijzelf betrek dan zou ik kunnen zeggen dat ik een goede luisteraar ben (kernkwaliteit), maar dat ik daar in door kan schieten, waardoor ik zelf niets meer inbreng (mijn valkuil, de balans raakt verstoord), ik zou mijzelf ook de uitdaging kunnen stellen ervan overtuigd te raken dat ikzelf iets zinnigs te vertellen heb óf ik ga mij ergeren als mensen eindeloos aandacht vragen en duidelijk niet in de ander geïnteresseerd zijn. Dan ben ik in mijn allergie beland. Wat Ofman zo mooi laat zien, is dat wijzelf net zo actief zijn in het proces, als de persoon waar we ons aan ergeren. Franciscus en Ofman zouden het vast met elkaar eens zijn geweest: er bestaan geen lastige mensen! En we moeten bij onszelf te rade gaan om de boel vlot te trekken. Daar is soms moed voor nodig en een zekere trouw aan onszelf. Een milde innerlijke blik die weet hoe we in elkaar zitten en daar ‘ja’ op zeggen.
Laten we trouw zijn aan onszelf, dan geven we de ander ook meer ruimte. Laten we zingen, vechten, bidden, lachen, werken en bewonderen op de manier die bij ons past en dat ook de ander laten doen.
