Voorgangers: Marianne Pompert en Marie-Thérèse van der Loo
Gebed
We horen het dagelijks:
een groeiende inkomenskloof, dalend vertrouwen,
ongelijke kansen voor zovelen,
regeldruk en onterechte verschillen.
Een mens schreeuwt: hier, daar, overal ter wereld,
op zoveel verschillende plekken, achter ontelbare deuren.
Onzichtbaar op het eerste gezicht,
en soms lijkt wegkijken bijna noodzakelijk.
Want iedereen heeft zijn problemen.
Wie helpt ons, hoe zijn we er voor elkaar?
Help ons, onrecht en armoede niet te accepteren.
Geef ons de kracht om op te staan,
zodat we luisteren, vertellen, vragen, doen,
zodat we de ander echt zien.
Om kwetsbaar te kunnen zijn,
een stap te zetten en verschil te maken.
In Uw Naam kunnen we verbinden,
met elkaar, voor elkaar.
Overal: over de drempel heel dichtbij,
en op allerlei plekken ter wereld.
Tegen armoede en onrecht,
in het vertrouwen dat U het verschil maakt.
Inleiding
Ook deze zondag kreeg, net als twee weken geleden, het thema ‘bevrijding’ mee. En het is begrijpelijk dat de viering 4 mei in het teken stond van bevrijding uit oorlogen.
Zelf moest ik bij het woord ‘bevrijding’ denken aan de bevrijdingstheologie.
De Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologie uit de jaren zestig zette zich af tegen discriminatie door te stellen dat het onderdrukken van armen in strijd is met de Bijbel.
Bevrijdingstheologie zet zich daarom in voor een rechtvaardige wereld door middel van het omzetten van geloof in daden. Het perspectief is vanuit de positie van de armen. Bevrijdingstheologie wil dat de kerk radicaal voor de armen kiest en zich verzet tegen kwaadaardige sociale structuren.
Of zoals wijlen Paus Franciscus het omschreef:
“Iedere Christen en iedere gemeenschap is geroepen om instrument van God te zijn voor de
bevrijding en de vooruitgang van de armen, zodat zij ten volle kunnen integreren in de
maatschappij; dit veronderstelt dat wij volgzaam en oplettend zijn om de kreet van de arme
te horen en hem hulp te bieden.”
Het gaat er dus om dat we die schreeuw (soms een geluidloze schreeuw) echt horen en de mens echt zien achter de regels. De mens bevrijden uit de sociale structuren en uit de regels die hen beknellen, die armoede veroorzaken, waar soms moeilijk uit te komen is.
Een goed voorbeeld van zo’n beknellende structuur c.q. regel zien we in het volgende fragment uit een reportage van Een Vandaag, van afgelopen dinsdag.
Lezing: Deuteronomium 24 : 17-24
17U moet de rechten van vreemdelingen en wezen eerbiedigen; van weduwen mag u het overkleed niet in pand nemen. 18Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u heeft bevrijd. Daarom gebied ik u zo te handelen.
19Wanneer u bij de graanoogst op de akker een schoof vergeet, mag u niet teruggaan om die op te halen. Laat hem achter voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt. 20En wanneer u bij de olijvenoogst tegen de takken slaat, mag u achteraf niet nagaan of u wel alles hebt. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. 21En wanneer u bij de wijnoogst druiven plukt, mag u niet alles nog eens nalopen. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. 22Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte. Daarom gebied ik u zo te handelen.
Lezing: Ruth 2 : 2-14
2Ruth, de Moabitische, zei tegen Naomi: ‘Ik wil graag naar het land gaan om aren te lezen bij iemand die mij goedgezind is.’ Naomi antwoordde: ‘Doe dat maar, mijn dochter.’ 3Ze ging dus naar het land om aren te lezen, achter de maaiers aan. Bij toeval kwam ze op de akker van Boaz, het familielid van Elimelech. 4Na enige tijd kwam Boaz zelf eraan, uit Betlehem. ‘De HEER zij met jullie,’ groette hij de maaiers. ‘De HEER zegene u,’ groetten zij terug. 5Boaz vroeg de voorman van zijn maaiers: ‘Bij wie hoort die jonge vrouw daar?’ 6De man antwoordde: ‘Dat is de Moabitische vrouw die met Naomi mee teruggekomen is. 7Toen ze hier aankwam zei ze: “Ik zou graag achter de maaiers aan willen gaan om aren te lezen bij de schoven,” en nu is ze hier al de hele dag, vanaf de vroege ochtend – ze heeft maar even gezeten.’ 8Daarop zei Boaz tegen Ruth: ‘Luister goed, mijn dochter. Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg, maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. 9Volg ze op de voet en houd je ogen gericht op het veld waar gemaaid wordt. Ik zal mijn mannen zeggen je niet lastig te vallen. Als je dorst hebt, ga dan naar de kruiken en drink van het water dat ze daar scheppen.’ 10Ze knielde, boog diep voorover en zei: ‘Waarom bent u zo vriendelijk voor mij? U behandelt mij goed, terwijl ik toch maar een vreemdeling ben.’ 11Boaz antwoordde: ‘Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was. 12Moge de HEER je daarvoor rijkelijk belonen – de HEER, de God van Israël, onder wiens vleugels je bent komen schuilen.’ 13‘U bent goed voor mij, heer,’ zei ze. ‘U biedt me troost en spreekt me moed in, terwijl ik niet eens bij u in dienst ben.’
Overweging
Lieve mensen,
Enkele jaren geleden werd ik benaderd door een bestuurslid van de voedselbank Leidschendam Voorburg. Ze waren op zoek naar een ruimte om in Leidschendam een uitdeelpunt op te starten. Ik heb toen kunnen bemiddelen met de kerkrentmeesters van de Dorpskerk en ze zijn overeengekomen dat er een ruimte beschikbaar was in de kerk, die om niets gebruikt kon worden door de VB.
Een bijna logisch gevolg was dat ik, met nog een paar andere gemeenteleden, vrijwilliger werd bij de VB. Ik heb dat toen een paar jaar gedaan, maar ik had er, op één of andere manier, moeite mee om het werk te doen. Het gaf mij een unheimisch gevoel.
Ik kon voor mijzelf nooit zo goed verklaren waarom ik dat gevoel had. Het was toch goed werk dat er gedaan werd, en dat mensen met weinig geld op deze manier voedsel kregen?
Maar in de eerste plaats voelde het voor mij niet goed dat mensen in de rij moesten staan wachten tot ze aan de beurt waren. Wanneer ik dit gevoel uitsprak tegen de andere vrijwilligers was het antwoord: “Maar dat is toch niet te voorkomen en in de winkel moet je toch ook in de rij staan voor de kassa?”
In de tweede plaats voelde het voor mij ook niet goed, dat mensen ons uitdrukkelijk bedankten. “Je hoeft mij niet te bedanken”, dacht ik dan. “Ik eet er geen boterham minder om”.
Ten derde was er voor mij ook een beschamend gevoel, wanneer ik naar de inhoud van de pakketten keek. Vaak liet de kwaliteit van het voedsel veel te wensen over.
Het meest bizarre vond ik nog wel, dat er door de VB zelf, groenten en fruit werd ingekocht, wanneer de aanvoer van deze producten niet voldoende was of van slechte kwaliteit was. Allemaal goed bedoeld, maar naar mijn idee een beetje omgekeerde wereld.
Toen het sjouwen met de kratten mij te zwaar werd, was het een goed reden om met het werk te kunnen stoppen.
Kortgeleden kwam ik een citaat tegen van de Britse theoloog Samuel Wells. Toen ik dat las begreep ik opeens hoe het kwam dat ik bij het werken bij de Vb zo’n unheimisch, beschamend gevoel had.
Hij schrijft n.l. dat het woord inclusie vaak makkelijk wordt gebruikt, vooral door mensen met ‘normale en bevoorrechte’ levens die de deuren willen openen voor mensen die anders zijn. Dat maakt inclusie betuttelend en paternalistisch.
Het veronderstelt namelijk een centrum en een periferie. “Het centrum verleent vriendelijk gastvrijheid aan de periferie, waardoor de periferie zich vernederd voelt en het centrum zelfgenoegzaam”.
Voor mij gold dit dus blijkbaar ook voor de VB. De VB als vriendelijk centrum en de mensen zonder geld als periferie. Een zeer persoonlijk gevoel, dat niets af doet aan de motivatie en inzet van de vrijwilligers.
Toen ik kortgeleden voor een periode voor iemand anders de voedselpakketten ging ophalen, stond ik opeens aan de andere kant van de tafel. Toen bekroop mij dat beschamende gevoel nog veel sterker.
Ik heb getwijfeld of ik nu hier het volgende zou zeggen, maar ik vind dat ik daar ook eerlijk in moet zijn: ik zei n.l. dat ik het pakket voor iemand anders op kwam halen. M.a.w. men moest niet denken dat het voor mijzelf zou zijn.
De kwestie van schaamte over het ontvangen van voedselpakketten van de voedselbank kwam ook naar voren n.a.v. een onderzoek naar de vraag van de waardigheid van de ontvanger in de uitwisseling die plaatsvindt bij een voedselbank.
Eén van de conclusies van het onderzoek was, dat de inhoud van de voedselpakketten en de houding van dankbaarheid die vrijwilligers verwachten, het gevoel van schaamte en de ervaring van armoede kunnen versterken.
Die verwachting van dankbaarheid had ik zelf ook, hoor! Ook daar moet ik eerlijk in zijn: Ik vond het een vorm van ondankbaarheid wanneer iemand geen spruitjes, of wat dan ook, mee wilde nemen.
Hoe het gevoel van schaamte van de ervaring van armoede voor de ontvanger is, blijkt uit het volgende citaat van Sascha Meyer, die het boekje “De nieuwe arme, blijven lachen in tijden van nood”, schreef:
“Dankbaar moet je zijn. Dat staat in de spelregels: je accepteert wat er in je pakket zit. Ik werd oprecht verrast door de zes liter melk. Had ik nu maar niet zelf gehaald: dat krijgen we nooit op. Maar ik hou mijn kaken stijf op elkaar. Het liefst zou ik van leer trekken. Dit is nu precies wat de eigenwaarde van mensen onderuithaalt. Het is aanmatigend, maar je moet dankbaar doen. Ik doe dankbaar. De mensen die dit zelf hebben meegemaakt, snappen dat”.
Mensen die door systemen, regels en omstandigheden in armoede terecht komen, zijn hun gevoel van eigenwaarde vaak al kwijt geraakt. En wanneer je dan aan die andere kant van de tafel staat, wordt het er niet veel beter op.
Armoede heeft vaak vergaande gevolgen voor iemands leven. Armoede zorgt bijvoorbeeld voor minder kans op een opleiding, heeft betrekking op je woonsituatie en je gezondheid. Schaamte, sociaal isolement, eenzaamheid, stress en depressies kunnen een gevolg zijn van armoede.
Mensen zijn soms bang dat hulp vragen hen misschien wel meer schaadt dan voordeel brengt.
Aan wat voor regels moet ik nu weer voldoen? Moet ik weer alles op tafel leggen en tig formulieren overleggen? Wat kunnen de gevolgen daarvan zijn?
Ik vraag mij af of de arme mensen, en dan vooral de vreemdelingen, weduwen en wezen, die volgens de wetten van Mozes, toestemming kregen om aren te lezen, ook dat gevoel van schaamte moeten hebben gehad.
Was het aren lezen een soort voedselbank avant la lettre?
Of was het aren lezen, als een wet van Mozes, een zo vanzelfsprekend model van hulpverlening, hoorde het zo tot de Joodse cultuur, dat arme mensen daar niet op aan gekeken werden?
Hoe moet Ruth zich hebben gevoeld toen zij, als vreemdeling, op zoek ging naar een akker om achter de maaiers aan aren te kunnen lezen?
Werden er misschien vijandige blikken op haar gericht? Werden er misschien opmerkingen gefluisterd, in de trant van: “Wat doet die vreemde Moabitische vrouw hier? Wil ze van onze oogst een graantje meepikken? We hebben maar net genoeg voor onszelf, laat haar terug gaan naar eigen land!”
De vijandige blikken werden mogelijk nog erger toen Ruth door Boaz ‘gezien’ werd.
Toen Boaz begreep dat zij de Moabitische vrouw was die met Noömi mee gekomen was, wilde hij haar rijkelijk belonen. Ze moest vooral bij hem op het land blijven werken, hij zorgde er voor dat zij niets te kort kwam.
De mannen en vrouwen op het land moeten het met leden ogen aangezien hebben, maar ze konden er niets tegen inbrengen. Ruth had haar beschermheer, haar losser, haar bevrijder, gevonden. En op deze manier kon zij voor Noömi en haarzelf de kost verdienen. Had zij haar bestaanszekerheid gevonden.
En natuurlijk kunnen we onze vraagtekens zetten bij de motivatie van Boaz, en kunnen we stellen dat Ruth nu afhankelijk was van die motivatie en goedkeuring van Boaz, maar ze werd in ieder geval wél gezien.
Zoals Paus Franciscus ons oproept om achter de kreet van de arme, de mens te zien. En niet alleen te zien, maar ook daadwerkelijk hulp te bieden, om deze mens te bevrijden en vooruit te helpen.
Paus Franciscus werd soms verweten dat hij de aloude kerkelijke leer te vlot zou opofferen aan de waan van de dag. Niets is minder waar. Hij was juist uiterst respectvol ten aanzien van de traditie. Maar zijn lange, pastorale ervaring had hem alert gemaakt voor het feit dat regels en tradities de ingebakken neiging hebben om te verstarren en daardoor hun doel voorbijschieten.
Voor hem gold dat de regel er is voor de mens, en de mens niet voor de regel.
Het handelen van de burgemeester van Leiden is daar een goed voorbeeld van. Zoals we in het fragment van Een Vandaag zagen. Het uitvoeren van de starre regels, het alsnog innen van openstaande boetes, helpt de arme mens niet vooruit. Integendeel zelfs.
We mogen Franciscus dankbaar zijn omdat hij in onze wereld de liefde en bramhartigheid van Jezus zichtbaar en tastbaar maakte. Geloof en gerechtigheid gingen bij hem hand in hand.
Je kunt je afvragen waarom er mensen waren, daar moeite mee hadden.
En geldt die oproep van Franciscus nu alleen voor christenen en geloofsgemeenschappen?
Ik denk het niet. Ik denk dat we allemaal genoeg mensen om ons heen zien of kennen, die vanuit humane overwegingen streven naar gerechtigheid.
Ooit, ongeveer 30 jaar geleden, heb ik zelf ervaren hoe belangrijk het is dat ik ‘gezien’ werd. Door persoonlijke omstandigheden werd ik nogal onverwachts gedwongen om ontslag te nemen. Die omstandigheden zal ik nu niet verder uitleggen, maar ik kon op dat moment niet anders.
Ik zal nooit vergeten dat de personeelschef van het ziekenhuis waar ik toen werkte, en aan wie ik mijn situatie had uitgelegd, zei: ik heb er wel vertrouwen in dat je het gaat redden. Je komt er wel.
Vervolgens moest ik een bijstandsuitkering aanvragen. Mensen om mij heen zeiden: als je zelf ontslag hebt genomen, gaat dat niet lukken. Maar wat had ik een geluk dat ik een dame trof, die mijn aanvraag moest goedkeuren, die mij als een mens achter de aanvraag zag. Mijn aanvraag werd, na overleg met collega’s, goedgekeurd.
Het feit dat ik op dat moment gezien werd, dat ik als mens achter de regels werd gezien, is voor mij zo belangrijk geweest. Hoe anders had mijn leven kunnen verlopen?
Want soms kom je alleen niet door je problemen heen. Soms heb je geluk nodig dat iemand je ziet, je een hand biedt om je op weg te helpen.
En soms kun jij diegene zijn die de ander de hand biedt, op weg helpt. Die de, soms geluidloze, schreeuw hoort.
Maar dan moet je die ander wel ‘zien’.
Zien heeft veel te maken met aandacht. Aandacht doet veel meer dan je denkt. Aandacht heeft te maken met inleven, met nabijheid. Aandacht hebben is attent zijn, het kleine zien, doen wat je zegt, trouw zijn aan mensen, blijven komen ook als het moeilijk is.
Echter zien is de kunst die het moeilijkst te leren is en het langzaamst wordt verworven.
Maar wie weet….. Ooit?
Voorbeden
Eeuwige en onuitputtelijke Bron van de werkelijkheid,
Goede en scheppende Aanwezigheid
die alle wezens ondersteunt en beweegt.
Open ons voor allen die verloren lopen en op zoek zijn naar Licht
– Voor hen die verlangend uitzien naar betere tijden, dat zij het uithouden in de ellendige of verdrietige situatie waarin zij nu nog verkeren.
– Voor alle slachtoffers van de gruwelijke oorlogen op dit moment.
– Voor mensen die onverschillig zijn en de dingen op hun beloop laten. Dat zij zich bewust worden van wat er gaande is en hun mogelijkheden benutten om deze wereld bewoonbaar te houden.
– Voor mensen die het goed hebben, dat zij hun leven echt durven delen met anderen, die op allerlei wijzen te kort komen.
– Voor allen die betrokken zijn bij het kerkasiel in Kampen. Dat ze bemoedigd blijven in vertrouwen en volharding om tot een goede afloop te komen.
– Voor diegenen die opgeschreven staan in het intentieboek
voor wie ons gebed gevraagd wordt …..
En bidden we ook voor onze eigen intenties …Stilte
Eeuwige, ga lichtend voor ons uit als wij nieuwe stappen op onze levensweg zetten. Geef ons de moed om zo nodig die sprong in het duister te wagen. Mag het verhaal van vandaag ons inspireren, om elkaar in uw Licht tot zegen te zijn.
Amen
Zegen van onrust (Franciscaanse zegenbede)
Moge God ons zegenen met onrust
bij gemakkelijke antwoorden,
halve waarheden, en oppervlakkige relaties
zodat er diepgang vanuit ons hart moge leven.
Moge God ons zegenen met boosheid
over onrechtvaardigheid,
onderdrukking, en uitbuiting van mensen
zodat we werken voor rechtvaardigheid,
vrijheid, en vrede.
Moge God ons zegenen met tranen
die we plengen voor hen die lijden
door pijn, verwerping, honger, en oorlog
zodat we onze handen zullen uitstrekken
tot troost.
En moge God ons zegenen met zoveel
dwaasheid dat we geloven
een verschil te maken in de wereld.
Zodat we kunnen doen waarvan anderen zeggen
dat het onmogelijk is.
toegeschreven aan Ruth Fox, Benedictines (1985)
